Mijn man blijft onze vrijdagavond plannen, ook als ik zeg dat ik niet meer kan

Onze vrijdagavondgroep heeft zelfs een naam, al gebruikt niemand die serieus. De Vrijdagtafel. Acht mensen, inmiddels soms tien met aanhang of een volwassen kind dat toevallig mee-eet. We kennen elkaar sinds de kinderen op de basisschool zaten. Eerst zaten we met plastic bekers in achtertuinen in Amersfoort, later kwamen de etentjes. Om de beurt koken, meestal rond half zeven. Het is zo’n gewoonte geworden dat je bijna vergeet dat iemand hem ooit begonnen moet zijn.

Vroeger vond ik het heerlijk. Echt. Ik was degene die vroeg of we niet eens mosselen konden doen, of een thema-avond met gerechten uit Italië. Mijn man, Kees, deed dan de wijn. Bas maakte altijd te veel eten en Marjan zei steevast dat ze “maar een klein beetje” wilde, waarna ze toch een tweede keer opschepte. Het waren onze mensen. Toen mijn broer overleed, stonden zij de volgende ochtend met koffie en krentenbollen voor de deur. Toen Kees in 2009 zijn baan kwijt was, hielp Bas hem met zijn cv, al zei Kees later dat hij dat zelf ook wel had gekund.

Alleen is er de laatste twee jaar iets verschoven waar ik moeilijk woorden voor krijg.

Ik werk nog vier dagen per week bij de thuiszorgplanning. Niet aan het bed, zoals ik vroeger deed, maar het is drukker dan mensen denken. Roosters die omvallen, collega’s die ziek zijn, cliënten die toch geen zorg kunnen krijgen omdat er niemand beschikbaar is. En mijn vader is 88 en heeft beginnende geheugenproblemen. Mijn moeder is 85, slecht ter been en doet alsof er niks aan de hand is. Dinsdagavond ga ik meestal naar hen toe met boodschappen, medicijnen uitzoeken en kijken of de post zich niet heeft opgestapeld. Zaterdag vaak weer, omdat mijn moeder dan ineens niet meer weet hoe de thermostaat werkt of omdat mijn vader zonder jas naar buiten is gegaan.

Ik ben niet zielig, dat wil ik ook niet zeggen. Er zijn genoeg mensen die veel meer dragen. Maar op vrijdag rond vijf uur voel ik soms letterlijk weerstand als ik de auto op de oprit zet. Dan zie ik Kees al in de keuken staan met een overhemd aan, alsof we naar een bruiloft moeten. Hij is sinds januari met pensioen, na veertig jaar bij een installateur. In het begin moest hij wennen. Nu heeft hij een volkstuin, fietst hij op woensdag met twee oud-collega’s en heeft hij ineens tijd om recepten uit te zoeken waar zes soorten kruiden in moeten.

Ik gun hem dat. Misschien ben ik er zelfs jaloers op.

Maar ik wil soms gewoon op de bank liggen met een boterham met kaas. Geen gesprek voeren. Niet nadenken of ik geïnteresseerd genoeg kijk als iemand voor de derde keer vertelt over de verbouwing van een badkamer in Frankrijk. Niet om kwart voor twaalf thuiskomen en dan nog mijn lenzen uitdoen, de vaatwasser aanzetten en bedenken dat ik de volgende ochtend om negen uur bij mijn ouders heb afgesproken.

De eerste keren zei ik dat ik hoofdpijn had. Kees ging dan alleen. Dat voelde gek, maar niemand leek het echt erg te vinden. Marjan appte: ‘Doe rustig aan, volgende week weer.’

Na een paar keer zei ik tegen Kees dat ik misschien niet meer elke week wilde. Bijvoorbeeld twee keer per maand. Of dat hij gewoon vaker zonder mij kon gaan, zonder dat we er een heel ding van maakten.

Hij keek me aan alsof ik had gezegd dat ik wilde verhuizen zonder hem.

“Maar dit is toch juist wat we altijd doen?” zei hij.

“Ja. Alleen ik trek het niet meer iedere week.”

“Je trekt je toch ook niet terug van je werk?”

Dat was geen gemene opmerking, denk ik. Meer onhandig. Maar ik voelde hem wel. Alsof ik blijkbaar voor iedereen kon blijven functioneren behalve voor onze vrienden.

Hij zei daarna dat de groep belangrijker zou worden nu we ouder werden. De kinderen wonen verspreid, onze ouders vallen weg, zei hij. “Straks hebben we elkaar nodig.” Dat geloof ik ook. Juist daarom vond ik het zo lastig. Ik wil die mensen niet kwijt. Ik wil alleen niet dat een avond die ooit gezellig was, voelt als een afspraak bij de tandarts waar je niet onderuit komt.

In maart hadden we zelf de beurt. Kees had zonder het te vragen twaalf mensen uitgenodigd, omdat ook de nieuwe partner van Henk mee zou komen. Ik kwam die vrijdag thuis en hij stond stoofperen te schillen. Op het aanrecht lagen drie schalen, een fles port en een boodschappenbon van bijna honderd euro.

Ik zei: “Kees, dit was toch niet de afspraak? Ik zou deze week niet meedoen.”

Hij stopte even met schillen. “Je hoeft ook niks te doen. Ik heb alles geregeld.”

Maar zo werkt het niet. Als er twaalf mensen in je huis komen, doe je wel iets. Dan is er een wc die schoon moet, jassen die je aanneemt, koffie die opraakt. En ik zit niet boven met oordoppen in terwijl beneden mijn vrienden zijn.

Hij zei: “Je hoeft niet zo moeilijk te doen. Als ze er eenmaal zijn, vind je het meestal hartstikke gezellig.”

Ik weet nog dat ik naar die halve peren keek. Zo kinderachtig misschien, maar ik werd er ontzettend boos van. Niet omdat hij kookte. Kees kookt prima. Maar omdat hij blijkbaar besloten had dat hij beter wist hoe ik me zou voelen dan ikzelf.

Die avond heb ik me erdoorheen geslagen. Ik lachte zelfs om een verhaal van Bas. Iedereen was lief. Dat maakte het erger. Marjan zei bij het weggaan: “Fijn dat je er toch was, je was de laatste tijd zo weinig van de partij.” Ze bedoelde het bezorgd, volgens mij. Ik hoorde vooral dat ik verantwoording af moest leggen.

De volgende ochtend zei Kees dat het toch goed was gegaan.

Ik heb toen iets gezegd waar ik niet trots op ben. Ik zei: “Voor jou is alles goed gegaan, want jij hebt niet één keer gevraagd hoe het met mij ging.”

Hij werd stil en daarna kwaad. Hij zei dat ik de hele groep strafte voor mijn stress en dat hij niet wilde dat we een van die stellen werden die alleen nog naast elkaar leven en af en toe bij de kinderen gaan eten. Daar schrok ik van, want misschien is dat zijn echte angst. Niet die vrijdagavond zelf, maar dat ik langzaam minder wil van alles waar wij samen in zitten.

Maar ik wil niet minder van hém. Ik wil minder moeten.

Vorige week was er weer een etentje, bij Henk en Els in Hoogland. Kees had al toegezegd voordat hij het tegen mij zei. Ik heb mijn jas aangehouden en gezegd dat ik niet ging. Hij vroeg nog één keer of ik zeker wist dat ik later geen spijt zou krijgen. Ik zei dat ik daar zelf wel achter zou komen.

Hij ging alleen. Ik warmde soep op uit de vriezer, zette de televisie aan zonder echt te kijken en viel om half tien in slaap op de bank. Toen ik wakker werd, lag er een deken over me heen. Kees was blijkbaar thuisgekomen. Hij sliep in de logeerkamer, wat we normaal nooit doen.

De volgende ochtend stond hij beneden koffie te zetten. Hij zei dat iedereen vroeg hoe het met me ging en dat hij maar had gezegd dat ik veel aan mijn hoofd had. Ik zei: “Dat klopt toch ook?”

Hij knikte, maar hij keek alsof hij iets had ingeslikt.

Aanstaande vrijdag zijn we niet aan de beurt. Kees heeft voorgesteld dat we gewoon samen gaan, en ik heb nog niet geantwoord. Mijn moeder heeft dan een afspraak bij de huisarts waar ik mee naartoe moet. Misschien kan ik daarna nog wel. Misschien wil ik daarna juist nergens heen.

Ik merk dat ik nu al denk aan welke app ik naar de groep moet sturen, terwijl niemand erom gevraagd heeft. Dat is misschien precies het probleem.