Mijn vrouw wilde onze beste vriendin redden, maar ik raakte mijn eigen huis kwijt
Het begon met een tandenborstel in een beker naast die van mij.
Ik zag hem op een dinsdagochtend staan, roze met zo’n rubberen grip, en ik weet nog dat ik daar veel te lang naar heb gekeken. Niet omdat die tandenborstel iets ergs deed. Maar omdat hij me vertelde dat Marja niet meer alleen maar kwam logeren.
Ze hoorde erbij in ons huis.
Mijn vrouw Els en ik zijn allebei 64. Ik heb bijna veertig jaar bij een installatiebedrijf gewerkt, Els zat op de administratie van een middelbare school. We hebben niet rijk geleefd, maar wel zuinig. Geen verre reizen ieder jaar, geen nieuwe auto als de oude het nog deed. Drie jaar geleden konden we vervroegd stoppen. Toen hebben we ons rijtjeshuis in Amersfoort verkocht en zijn we naar een gelijkvloerse woning aan de rand van Putten verhuisd. Niet groot, wel licht. Met een kleine tuin waar Els lavendel in heeft gezet en een overkapping waar ik in de zomer om half acht al zit met koffie.
Dat was ons plan. Rust. Een beetje fietsen, oppassen op de kleinkinderen als onze dochter daarom vroeg, niet meer leven op de wekker.
Marja kennen we al sinds de jaren negentig. Zij en haar man Henk woonden vroeger twee straten verderop. We vierden oud en nieuw samen, gingen kamperen in Frankrijk toen de kinderen nog klein waren. Henk overleed vorig jaar november, vrij plotseling aan een hartstilstand. Hij was 66. Marja belde Els die avond zo vaak dat ik op een gegeven moment de telefoon niet meer hoorde overgaan, terwijl hij op tafel lag.
In het begin deden we wat iedereen doet. Eten brengen. Meegaan naar de uitvaartverzorger. Een keer haar administratie doornemen, omdat Henk altijd alles regelde. Ik heb haar internetbankieren weer aan de praat gekregen. Els ging soms een nacht bij haar slapen.
Maar na een paar maanden werd het niet minder. Marja at nauwelijks, zei afspraken af en nam soms pas aan het einde van de middag de gordijnen open. Haar huisarts had haar doorverwezen naar de praktijkondersteuner en later naar een psycholoog, maar daar had ze volgens haar niets aan. Ze zei niet dat ze dood wilde, voor zover ik weet. Ze zei vooral steeds: “Ik kan niet tegen dat huis. Als ik thuiskom, hoor ik gewoon hoe leeg het is.”
Op een zondagmiddag, na koffie met appeltaart die niemand echt wilde, vroeg ze of ze drie dagen per week bij ons mocht zijn. Niet alleen overdag. Ook slapen en eten. Maandag, dinsdag en woensdag, zei ze. Dan kon ze donderdag weer een beetje bijkomen in haar eigen huis.
Els zei vrijwel meteen ja.
Niet hardop meteen, maar ik zag het aan haar gezicht. Ze keek Marja aan alsof ze al jaren op dat verzoek had gewacht. Ik zei dat we er even over moesten nadenken. Marja knikte toen heel klein, alsof ik haar had afgewezen. Daar kreeg ik direct schuldgevoel van.
Die avond zei Els: “Wat moet ze dan? Helemaal alleen daar wegkwijnen?”
Ik zei: “Dat zeg ik niet. Maar drie nachten per week is veel, Els.”
“Het is tijdelijk.”
Dat woord heeft me nog weken kwaad gemaakt. Niet omdat Els het verkeerd bedoelde, maar omdat niemand wist wat tijdelijk betekende. Twee weken? Drie maanden? Tot Marja weer iemand ontmoet, wat ook niet zomaar gebeurt op je vierenzestigste? Tot ze beter wordt, terwijl depressie zich niet aan een agenda houdt?
De eerste weken deed ik mijn best. Echt. Marja kwam maandagmiddag met een weekendtas en een tas van de Etos. Ze hielp met aardappels schillen, we keken ’s avonds naar BinnensteBuiten en ik bracht haar dinsdag mee naar de markt. Ze was dankbaar, soms bijna overdreven. Ze zei dan: “Jullie redden me,” en dan wist ik niet waar ik moest kijken.
Maar langzaam veranderde het.
Ze stond laat op. Dat mag, natuurlijk, ze is geen soldaat. Alleen drink ik graag vroeg mijn koffie in stilte, met de radio zacht aan. Vanaf het moment dat Marja er was, liep ik op mijn tenen door mijn eigen keuken. Als ik de kast te hard dichtdeed, schrok ze. Als ik vroeg of ze goed geslapen had, begon ze soms te huilen. Dan ging Els bij haar zitten en was de ochtend voorbij.
Ze ging ook niet meer echt naar huis op donderdag. Vaak vroeg ze rond vier uur of ze niet nog één nachtje kon blijven, “want het regent toch” of “ik heb zo’n rotgevoel vandaag”. Els keek dan naar mij. Ik voelde me een zak als ik nee wilde zeggen. Dus zei ik meestal niks.
Op een gegeven moment lagen er sokken van Marja op de wasmachine. Haar pantoffels stonden bij de achterdeur. In de koelkast stond haverdrink die alleen zij gebruikte. Ze had een eigen plek op de bank, waar haar vest en een boek over rouwverwerking lagen. Misschien klinkt dit allemaal kinderachtig. Het zijn spullen. Ik weet dat wel.
Maar ons huis was de eerste plek in mijn leven waar ik niet telkens rekening hoefde te houden met collega’s, kinderen, ouders of deadlines. En nu werd ik nerveus als ik de oprit op reed, omdat ik niet wist in welke stemming ik binnen zou komen.
Het echte gedoe kwam toen ik op donderdagmiddag zei dat ik dat weekend met Els naar onze zoon in Zwolle wilde. Gewoon een nachtje, omdat onze kleindochter haar zwemdiploma zou halen.
Marja zat aan tafel en zei: “O ja, dan ga ik wel mee terug naar huis. Alleen het weekend is altijd het naarst.”
Els keek naar haar en zei: “Je kunt ook hier blijven, hoor. Dan geef ik je de sleutel.”
Ik zei meteen: “Nee.” Veel te scherp. Alsof ik op haar had zitten wachten.
Het werd stil. Marja keek naar haar thee. Els keek mij aan op een manier die ik nog kende van vroeger, als ik iets bot tegen een van de kinderen had gezegd.
Later in de slaapkamer zei Els dat ik geen greintje medeleven meer had. Ik zei dat medeleven niet betekende dat we ons huis moesten openstellen alsof het een opvangplek was. Dat was gemeen geformuleerd, dat weet ik. Marja is geen probleemgeval en ik wil haar ook niet zo zien.
Els huilde toen. Niet wild, gewoon stil. Ze zei dat ze bang was dat Marja iets zou doen als we haar alleen lieten. Dat had Marja nooit letterlijk gezegd, maar Els droeg die angst blijkbaar al maanden met zich mee.
De volgende ochtend heb ik zelf de huisarts gebeld, na lang twijfelen. Niet om over Marja te klikken, maar omdat ik niet wist wat je moet doen als iemand zo afhankelijk wordt van twee vrienden. De assistente kon natuurlijk niks inhoudelijks met mij bespreken. Ze zei alleen dat Marja zelf contact moest opnemen en dat wij bij acute zorgen 112 of de huisartsenpost moesten bellen. Daar had ik weinig aan, al snap ik het ook wel.
Afgelopen maandag hebben Els en ik met Marja gepraat. Ik had van tevoren zinnen in mijn hoofd, maar aan tafel kwamen ze er rommelig uit. Ik zei dat we van haar houden, dat we haar niet kwijt willen, maar dat drie nachten niet meer lukt. Els zei dat we wel elke woensdag samen kunnen eten en dat ze op vrijdag met Marja wil wandelen. Ik zei dat ik best wil helpen met praktische dingen, en dat we desnoods samen met haar naar de huisarts gaan.
Marja zei eerst niets. Toen vroeg ze of ze soms te veel was.
Els zei meteen nee. Ik wachtte te lang. Misschien twee seconden, misschien vijf. Maar ik zag dat Marja het merkte.
Ze is die middag naar huis gegaan met haar tassen. Haar tandenborstel stond nog in de beker. Die heb ik niet weggegooid. Ik heb hem in een toilettasje gedaan en Els heeft hem de volgende dag bij haar langsgebracht.
Sindsdien stuurt Marja minder berichten. Els zegt dat ze haar ruimte moeten geven, maar kijkt elk uur op haar telefoon. Ik ben opgelucht dat ik ’s ochtends weer in mijn eigen keuken kan zitten. Tegelijk voelt die opluchting beschamend, alsof ik pas rustig kan ademhalen omdat iemand anders weer alleen in een veel te groot huis zit.
Morgen gaan Els en ik bij haar eten. Marja heeft gezegd dat ze pasta maakt. Ik hoop dat ze echt iets maakt en niet alleen een pan water opzet omdat ze denkt dat dat van haar verwacht wordt.