Na veertig jaar wil mijn man niet meer mee naar onze vaste etentjes, en ik weet niet of ik hem moet volgen

Afgelopen zaterdag heb ik voor het eerst in bijna veertig jaar alleen aan tafel gezeten bij onze maandelijkse etentje. Niet helemaal alleen natuurlijk. We waren met acht mensen, zoals altijd. Maar naast mij stond een lege stoel.

Ik had tegen iedereen gezegd dat Kees een beetje beroerd was. Dat was laf, dat weet ik. Hij is niet beroerd. Hij wil gewoon niet meer.

Wij kennen deze groep sinds 1983, toen we net in Amersfoort woonden en de kinderen nog niet eens geboren waren. Marijke en Henk woonden twee huizen verderop. Pieter kende Kees van zijn werk bij de gemeente. Later kwamen Sonja en Rob erbij, via de basisschool. Het groeide vanzelf. Eerst koffie bij elkaar, toen weekendjes naar een huisje in Drenthe, later de vaste etentjes. Iedere maand bij iemand anders, met altijd te veel eten en de afspraak dat je niet moeilijk deed over wie wat betaalde.

In de jaren dat ik met twee kleine kinderen thuis zat en Kees vaak laat thuiskwam, waren zij mijn wereld buiten het gezin. Toen mijn moeder overleed, stond Marijke met een pan lasagne op de stoep zonder eerst te vragen of dat wel uitkwam. Toen Rob zijn baan verloor, hebben we met elkaar zijn vijftigste verjaardag gevierd alsof er niets aan de hand was, juist omdat hij zich zo schaamde. We weten van elkaar wie ooit vreemdging, wie schulden had, welke kinderen elkaar niet meer spreken. Niet alles tot op de bodem, maar genoeg.

Daarom voelde het voor mij alsof Kees niet alleen een etentje oversloeg. Hij zei eigenlijk dat hij klaar was met iets wat voor mij bij ons leven hoort.

Het begon volgens hem na zijn pensioen, nu ruim anderhalf jaar geleden. Daar zit misschien ook wel iets in. Kees heeft altijd op kantoor gewerkt, als beleidsmedewerker. Hij was gewend aan vergaderingen waar mensen door elkaar heen praten en iemand altijd de boventoon voert. Maar hij ging er vroeger minder tegenin. Hij kwam thuis, trok zijn schoenen uit en zei hooguit: ‘Nou, daar had je Jaap weer.’

Jaap is de man van Marijke. Hij kan ook ontzettend gezellig zijn. Hij onthoudt alles, maakt droge grappen en helpt iedereen met klussen. Toen Kees een nieuwe cv-ketel nodig had, heeft Jaap drie avonden meegebeld en offertes vergeleken. Dat vergeet ik niet.

Maar Jaap is ook iemand die een verhaal kan overnemen voordat je halverwege je zin bent. Als Sonja vertelt dat haar dochter tijdelijk weer thuis woont na een scheiding, zegt hij: ‘Ja, maar die generatie wil ook meteen alles: koophuis, verre reizen, parttime werken.’ Als Pieter zegt dat hij last heeft van zijn knie, begint Jaap over zijn eigen operatie, uitgebreid, inclusief wat er misging met de fysiotherapeut.

Kees zegt dat het niet alleen dat praten is. Hij noemt het prikken. Die kleine opmerkingen waar iedereen omheen lacht omdat Jaap ze met een glimlach maakt.

‘Jij hebt natuurlijk alle tijd van de wereld nu, Kees,’ zei Jaap een paar maanden geleden, toen Kees vertelde dat hij vrijwilligerswerk was gaan doen bij de Voedselbank. ‘Al kun jij je daar vast niet aan de procedures houden. Jij was vroeger ook altijd zo van het eigen inzicht.’

Iedereen lachte een beetje. Ik ook, geloof ik. Niet hard, maar toch. Kees keek naar zijn bord en zei niets.

In de auto terug zei hij: ‘Vind jij dat normaal?’

Ik dacht dat hij bedoelde dat Jaap flauw was, en dat vond ik ook. Dus ik zei: ‘Nee, maar je weet toch hoe hij is.’

Dat bleek precies het verkeerde antwoord.

‘Dat hoor ik al veertig jaar,’ zei Kees. ‘Hoe hij is. Maar ik moet dus maar aanhoren hoe hij me behandelt omdat hij toevallig bij jouw vriendenclub hoort?’

Ik werd daar meteen boos van. Niet eens alleen om wat hij zei, maar om dat woord: jouw vriendenclub. Alsof hij er al die tijd geen deel van was geweest. Alsof ik hem al die jaren ergens mee naartoe had gesleept.

‘Het zijn onze vrienden,’ zei ik.

Hij haalde zijn schouders op. ‘Voor jou misschien.’

Sinds zijn pensioen is Kees veranderd, al is dat misschien niet eerlijk om zo te zeggen. Hij is stiller geworden, maar ook sneller geraakt. De eerste maanden vond hij het heerlijk. Geen wekker, eindelijk die oude racefiets opknappen, op woensdag op de kleinkinderen passen. Daarna kwam er iets van onrust. Hij miste het gevoel dat hij ergens nodig was. Bij de Voedselbank gaat het goed met hem, denk ik, maar hij komt ook vaker thuis met verhalen over mensen die hem bot afsnauwen. Soms zegt hij dat hij onzichtbaar wordt nu hij niet meer werkt.

En misschien raakt Jaap daarom extra.

Toch vind ik niet dat je na veertig jaar een groep aan de kant zet omdat één persoon je irriteert. Alsof er geen geschiedenis meer meetelt. Alsof je op onze leeftijd alleen nog contact moet houden met mensen die altijd precies zeggen wat jij nodig hebt. Dat bestaat toch niet? Wij zijn allemaal eigenwijzer geworden. Marijke herhaalt dezelfde verhalen. Rob drinkt te veel wijn en wordt dan sentimenteel. Sonja vraagt altijd door terwijl je soms liever niet antwoordt. En ik ben vast ook vermoeiend. Ik weet dat ik vaak meteen oplossingen aandraag als iemand verdrietig is.

Vorige maand zei Kees ineens aan de ontbijttafel dat hij niet meer ging.

Niet: deze keer niet. Niet: voorlopig even niet. Gewoon: ‘Ik ben klaar met die avonden.’

Ik stond boterhammen te smeren, terwijl er eigenlijk niemand meer naar school of werk hoefde. Een gewoonte. Ik legde het mes neer en zei dat hij niet voor ons allebei kon beslissen.

‘Dat doe ik ook niet,’ zei hij. ‘Jij mag gaan.’

Maar zo voelde het niet. Als ik alleen ga, komt er altijd de vraag. Dan krijg je: waar is Kees? Is alles goed? En als ik zeg dat hij geen zin meer heeft, begrijpt iedereen heus wel dat er iets speelt. Vooral Marijke. Die belt me vervolgens apart op. Daar heb ik helemaal geen behoefte aan.

Ik zei dus dat hij mij in een onmogelijke positie bracht.

Hij keek me toen aan, echt moe, niet boos. ‘Els, ik vraag je niet om te kiezen. Ik vraag alleen of ik niet elke maand mezelf hoef op te peppen om naar mensen te gaan die me een rotgevoel geven.’

Daar had ik niet direct iets op terug. Maar ik voelde wel irritatie, omdat ik vond dat hij het groter maakte dan het was. En omdat ik bang was dat het waar was: dat ik liever wilde dat hij zich aanpaste dan dat ik zelf iets moest veranderen.

Afgelopen zaterdag heb ik dus alleen gegeten bij Pieter en Sonja. Sonja had stoofperen gemaakt en er stond een schaal met van die kleine aardappeltjes op tafel waar iedereen altijd te veel van neemt. De eerste twintig minuten ging het eigenlijk prima. Marijke vroeg of Kees griep had. Ik zei dat hij niet zo lekker was.

Later, toen de mannen in de keuken koffie haalden en Marijke even naar het toilet was, pakte Jaap zijn glas en zei: ‘Kees is zeker weer druk met zijn nobele vrijwilligerswerk?’

Hij zei het lachend. Rob lachte mee.

Ik weet niet waarom ik het toen deed, misschien omdat ik me al de hele avond schuldig voelde. Ik zei: ‘Nee, hij heeft gewoon geen zin meer in opmerkingen als deze.’

Het werd heel stil. Jaap keek alsof ik een vies woord had gebruikt aan tafel. Rob zei: ‘Nou, dat is dan wel een beetje kinderachtig van Kees.’ En ik hoorde mezelf zeggen dat het misschien kinderachtig was, maar dat het ook niet niks was als je al jaren het gevoel hebt dat iemand je klein houdt.

Toen kwam Marijke terug. Niemand vertelde haar meteen wat er gebeurd was. Jaap deed dat later in de auto, denk ik, want zondagmorgen kreeg ik een lang bericht van haar. Dat ze gekwetst was. Dat ik Jaap had aangevallen terwijl hij er altijd voor ons was geweest. Dat Kees blijkbaar al veel langer iets tegen hem had en dat ze het jammer vond dat wij nooit gewoon iets gezegd hadden.

Ze heeft gelijk met dat laatste. We hebben nooit iets gezegd. Ik ook niet. Ik heb steeds gedacht: laat maar, zo is Jaap nou eenmaal. En misschien heb ik Kees daardoor in de steek gelaten zonder dat ik het doorhad.

Maar ik wil Marijke ook niet kwijt. Dat is het ergste. Kees zegt nu dat hij opgelucht is dat het eindelijk uitgesproken is, al vindt hij het vervelend voor mij. Hij zegt dat ik best met Marijke kan afspreken, zonder de hele groep. Alsof vriendschappen zo netjes uit elkaar te halen zijn.

Volgende maand zouden wij aan de beurt zijn. Ik heb de datum nog in de agenda staan. Kees heeft gisteren gevraagd of ik hem eruit wil halen, omdat hij anders elke keer weer denkt dat er iets van hem verwacht wordt.

Ik heb nog niets gedaan. De boodschap van Marijke staat ook nog onbeantwoord in mijn telefoon. Vanmiddag moet ik naar de markt, en daarna wil Kees samen de schuur uitzoeken. Waarschijnlijk doen we dat gewoon. Tussen oude verfblikken en een kapotte parasol, alsof er nergens anders iets aan de hand is.