Mijn man wil alles slikken voor zijn oudste vriend, maar ik herken onze vriendschap niet meer

Ik heb de mail nog steeds in mijn inbox staan. Niet omdat ik hem telkens opnieuw wil lezen, maar omdat ik hem niet weg durf te gooien. Alsof verwijderen betekent dat ik ook iets anders definitief verwijder.

Hij kwam van Henk, de beste vriend van mijn man Kees sinds hun diensttijd. Ze zijn samen 71 nu. Vroeger gingen ze met z’n tweeën vissen in Friesland, daarna met de vrouwen erbij kamperen in Frankrijk en later, toen iedereen kinderen had, zaten we iedere nieuwjaarsdag met een veel te volle schaal oliebollen bij elkaar. Wij, Henk en zijn eerste vrouw Marja, en nog twee stellen uit diezelfde oude kring. Het was nooit spectaculair. Juist daarom was het zo vast.

Marja is vier jaar geleden overleden, na een ziektebed waar Henk zichtbaar kleiner van werd. Niet letterlijk misschien, maar hij liep alsof hij steeds ergens tegenaan botste. We hebben hem toen op zondag eten gebracht. Kees heeft zijn tuin gedaan. Ik heb nog twee vuilniszakken met kleding van Marja naar de kringloop gebracht, samen met Henk, en we hebben allebei bijna niets gezegd in de auto.

Toen hij anderhalf jaar later vertelde dat hij iemand had leren kennen, was ik oprecht blij. Ze heette Sylvia. Ze was jonger dan wij, 63, weduwe ook, en ze kwam uit de buurt van Arnhem. De eerste keer dat we haar zagen, had ze een zelfgebakken citroentaart mee. Ze praatte veel, maar dat hoeft geen probleem te zijn. We waren allemaal een beetje nerveus, denk ik.

Het begon met kleine dingen. Sylvia lustte geen koffie na half drie, want daar sliep ze slecht van. Prima. Daarna wilde ze niet meer dat we onaangekondigd langskwamen. Ook prima, hoewel ‘onaangekondigd’ bij ons meestal betekende: Henk belde zelf om half elf of we zin hadden in een borrel.

Vervolgens konden afspraken alleen nog bij hen thuis, omdat Sylvia zei dat Henk na een avond weg te onrustig was en de volgende dag moest bijkomen. Dat vond ik al vreemd, want Henk had vroeger zonder moeite tot één uur aan onze eettafel kaarten en dan op de fiets naar huis kunnen gaan. Maar goed, mensen veranderen.

Bij hen thuis veranderde er ook van alles. Je mocht niet op de bank zitten met een vest aan vanwege de pluizen. Je moest je schoenen uit, behalve als je steunkousen droeg, want dan vond Sylvia blote voeten in huis ‘ook niet hygiënisch’. De borrel begon om vier uur en om half zeven werd er verwacht dat je vertrok, tenzij je expliciet was uitgenodigd om te eten. En als je bleef eten, werd vooraf gevraagd of je wel of niet boter, zout, lactose en ‘sterke kruiden’ gebruikte.

Kees vond dat ik er te veel achter zocht.

“Ze heeft gewoon haar eigen manier,” zei hij toen we na een bezoek in de auto zaten. “En Henk zit eindelijk weer goed in zijn vel. Gun hem dat nou.”

Dat laatste raakte me, juist omdat het waar was. Henk zag er inderdaad beter uit. Hij had weer kleur, droeg soms zelfs een overhemd dat geen ruit had, en hij lachte meer. Maar tijdens die avonden keek hij ook steeds naar Sylvia voordat hij antwoord gaf. Niet overdreven, niet alsof hij bang was. Meer alsof hij vergeten was dat hij zelf ook zomaar iets mocht vinden.

Een keer stelde ik voor om weer met de hele groep bij ons te barbecueën, zoals we vroeger deden. Sylvia zei dat het voor haar te druk was als er zoveel mensen door elkaar praatten. Een andere keer wilden we naar een pannenkoekenrestaurant met de kleinkinderen erbij. Dat vond ze te onrustig en bovendien at Henk volgens haar beter geen pannenkoeken meer.

Uiteindelijk zagen we Henk en Sylvia bijna alleen nog bij hen, in hun serre, aan die grote grijze tafel waar onderzetters al klaar lagen voordat je je jas uit had.

Ik merkte dat ik ertegenop ging zien. Dat vind ik nog steeds naar om toe te geven. Niet omdat ik Sylvia haat; dat doe ik niet. Soms is ze zelfs attent. Ze stuurde me een kaart toen mijn zus in het ziekenhuis lag. Ze kan ook grappig zijn, op een droge manier. Maar alles moet via haar. Elk plan, elk tijdstip, zelfs hoe lang een gesprek over Marja mag duren. Als Kees iets uit hun jeugd vertelt, zegt Sylvia soms lachend: “Ja hoor, daar hebben we de oude jongensverhalen weer,” en dan gaat het onderwerp dicht.

Vorige week kwam die mail. Henk en Sylvia hebben een huisje gehuurd in Zeeland, vlak bij Domburg. Ze wilden ons graag vier dagen erbij hebben. Dat klonk eerst hartstikke leuk. Kees was meteen enthousiast. Hij zei zelfs: “Kijk, zie je nou wel, Henk wil het contact gewoon houden.”

Onderaan stond een lijstje. Geen wijn meenemen, omdat Sylvia daar hoofdpijn van krijgt. Ontbijt tussen acht en half negen, want daarna willen zij wandelen. Geen bezoekjes buiten het programma om, omdat Sylvia voldoende rustmomenten nodig heeft. We zouden ieder een eigen slaapkamer krijgen, maar gebruik van de badkamer graag op vaste tijden. En er stond dat politieke onderwerpen, gezondheidsklachten en herinneringen aan eerdere partners beter vermeden konden worden ‘om de sfeer licht te houden’.

Ik zat aan de keukentafel en voelde een soort schaamte. Niet alleen boosheid. Ook schaamte dat ik blijkbaar niet meer wist hoe je gewoon bij vrienden bent.

Kees las het en haalde zijn schouders op. “Dat zijn toch geen onredelijke dingen voor vier dagen?”

“Het gaat niet om de badkamer, Kees.”

“Waar gaat het dan wel om?”

Ik wist het niet meteen. Dat maakte me nog bozer. Uiteindelijk zei ik: “Dat ik het gevoel heb dat we op bezoek gaan bij een vrouw die ons tolereert omdat Henk dat wil. Niet omdat wij haar vrienden zijn.”

Kees werd stil. Hij smeerde zijn boterham verder alsof hij heel precies moest zijn met de hagelslag.

Later zei hij dat Henk veel heeft meegemaakt en dat we niet degenen moeten zijn die afhaken nu hij opnieuw gelukkig is. Ik snap dat. Echt. Als ik Kees zou verliezen, zou ik ook hopen dat niemand mij na een paar jaar zou vertellen dat een nieuwe liefde niet mocht schuren met het oude leven.

Maar ik vind ook niet dat vriendschap betekent dat je jezelf steeds kleiner maakt om ergens nog tussen te passen. We hebben Henk niet verlaten toen Marja ziek was. We zijn er geweest toen hij niet wist hoe de wasmachine werkte en toen hij op zijn verjaardag geen bezoek wilde maar toch de hele middag bij ons zat. Nu lijkt het alsof die geschiedenis alleen welkom is als hij netjes in een tijdvak van anderhalf uur past.

Gisteren heeft Kees Henk gebeld. Ik hoorde hem in de bijkeuken praten, zacht, omdat hij dacht dat ik televisie keek. Hij zei dat we het heel leuk vonden klinken en dat hij nog even met mij moest overleggen over de data. Niet over de voorwaarden. Over de data.

Toen hij ophing, vroeg ik of hij al had toegezegd.

“Nee,” zei hij. “Maar ik wil wel graag.”

Ik zei dat hij van mij mag gaan. Dat meen ik ook, al doet het me pijn. Hij keek me aan alsof ik iets gemeens zei.

“Dus jij gaat niet?”

Ik heb gezegd dat ik het nog niet weet. Dat is de waarheid. Misschien ga ik uiteindelijk toch, met mijn eigen boek en mijn tanden op elkaar. Misschien bel ik Henk eerst alleen, zonder Sylvia erbij, al voelt dat ook laf en kinderachtig. Misschien moet ik gewoon zeggen dat vier dagen te veel is en voorstellen om eens bij ons koffie te drinken, zonder schema.

Vanmorgen stuurde Sylvia een berichtje in de groepsapp: of iedereen voor zondag wil doorgeven welke thee ze drinkt, dan kan ze daar rekening mee houden.

Kees antwoordde meteen: “Wij drinken alles!” met een lachend gezichtje.

Ik heb mijn telefoon omgedraaid en ben de was gaan ophangen. Buiten waaide het hard genoeg dat een van Kees zijn hemden steeds tegen het raam sloeg. Ik liet het maar even hangen.