Na veertig jaar samen op vakantie wilde mijn vrouw ineens iets doen waar wij niet bij hoorden
Ik merkte het voor het eerst aan de paasbrunch. Niet aan een ruzie, want zo deden wij dat niet. Daar waren we met z’n vieren veel te goed in geworden, in nergens ruzie over maken.
Anja en ik zaten al veertig jaar met Kees en Marijke aan dezelfde eettafel met Pasen, kerst en meestal ook oud en nieuw. Eerst met kleine kinderen die hun limonade omstootten, later met pubers die het liefst na het eten weer weg wilden. De afgelopen jaren waren de kinderen erbij als het uitkwam, met schoonzoons, een vriendin, een kleinkind van Marijke en Kees. Maar de basis bleef altijd wij vier.
Op vakantie gingen we naar Frankrijk. Niet ieder jaar precies hetzelfde huisje, hoewel het soms wel verdacht veel op elkaar leek: terras, jeu-de-boulesbaan, een dorpje op tien minuten rijden, supermarkt met te hard gebakken stokbrood. Kees deed de route. Marijke nam standaard te veel potjes kruiden mee. Anja maakte lijstjes en ik droeg koffers alsof dat mijn bijdrage aan het geheel was.
Toen ik stopte bij de gemeente, nu ruim anderhalf jaar geleden, dacht ik eerlijk gezegd: eindelijk. Geen gedoe meer met vergaderingen over dingen die al besloten waren. Meer fietsen, meer rustig koffie drinken, misschien een paar weken weg buiten het hoogseizoen. Kees was een halfjaar eerder met pensioen gegaan uit het onderwijs. Hij zei steeds dat we nu eindelijk konden leven zoals we het altijd hadden beloofd.
Anja knikte daar meestal bij. Maar achteraf denk ik dat ze toen al niet echt knikte om dezelfde reden als wij.
Ze had via de bibliotheek een oproep gezien voor een taalcafé in de wijk. Mensen die net in Nederland waren, konden daar oefenen met Nederlands. Geen les, zeiden ze nadrukkelijk, gewoon praten. Anja was vroeger doktersassistente geweest. Ze kan goed luisteren zonder meteen voor iemand te gaan invullen, wat ik bewonder en soms ook irritant vind.
Eerst ging ze één middag in de twee weken. Daarna iedere donderdag en sommige zaterdagen, omdat er een vrouw uit Syrië was die hulp nodig had met brieven van de school en de woningcorporatie. Toen hielp Anja mee met een groepje vrouwen dat wilde leren fietsen. Ze kwam thuis met verhalen. Over een jongen die zijn vmbo-diploma had gehaald. Over iemand die eindelijk zelf de huisarts durfde te bellen. Over thee met zo veel suiker dat haar lepel rechtop bleef staan.
Ze was levendiger dan ik haar in tijden had gezien.
Ik zei dat ook wel, hoor. Ik ben niet tegen vrijwilligerswerk. Maar tegelijk schoof er van alles. De donderdagmiddagkaartclub met Marijke ging niet meer. Een weekend naar Zeeland kon niet, want Anja had toegezegd bij een bijeenkomst te zijn. De kerstmarkt in Keulen, die we al in september bespraken, werd ineens onzeker.
Kees deed er luchtig over in het begin.
“Nou ja, jij redt het wel zonder Anja bij de borrel,” zei hij tegen mij, met een lachje.
Maar hij keek er niet bij zoals hij normaal keek.
Marijke zei minder. Dat is bij haar meestal geen goed teken. Zij is degene die altijd onthoudt wie er jarig is, wie geen olijven lust en wie na twee glazen wijn beter geen politieke onderwerpen meer kan aansnijden. Als Marijke stil wordt, laat ze je eigenlijk voelen dat je iets hebt laten vallen zonder het op te rapen.
Met Pasen kwam Anja pas om half twee, terwijl we om twaalf uur hadden afgesproken. Ze was bij een vrouw geweest van wie de dochter met hoge koorts thuis lag. De vrouw wist niet hoe ze de huisartsenpost moest bellen en had Anja geappt. Anja zag er moe uit, maar ook vastberaden. Ze had onderweg snel een bos tulpen gekocht, alsof bloemen konden uitleggen dat ze te laat was.
Marijke zette de schaal met broodjes op tafel en zei: “We waren al bang dat je helemaal niet kwam.”
Anja zei: “Ik had het echt niet zo bedoeld. Het liep uit.”
“Het loopt de laatste tijd vaak uit,” zei Marijke.
Daarna hoorde je alleen de koelkast aanslaan. Kees vroeg of iemand koffie wilde. Ik zei ja, hoewel ik nog een volle kop voor me had staan.
Anja zei die middag bijna niets meer. Thuis zei ze dat Marijke gelijk had, maar dat ze niet wist hoe ze dit moest oplossen zonder steeds het gevoel te hebben dat ze toestemming moest vragen om iets te doen.
Ik reageerde beroerd. Ik zei: “Niemand vraagt om toestemming. Ze vinden het gewoon jammer.”
“Jij vindt het ook jammer,” zei ze.
Dat ontkende ik meteen. Natuurlijk vond ik het jammer. Ik miste de eenvoud. Als we met Kees en Marijke afspraken, hoefde ik nergens over na te denken. Je wist hoe de dag zou lopen, wie de afwas deed, welke oude verhalen weer zouden langskomen. Het was comfortabel. Misschien te comfortabel, maar daar dacht ik toen niet over na.
In juni hadden we onze vakantie naar de Ardèche geboekt. Twaalf dagen, zoals altijd. Dezelfde camping als drie jaar daarvoor, op verzoek van Kees. Anja vertelde op een avond dat ze niet mee wilde. Het taalcafé organiseerde juist in die periode een zomerprogramma voor gezinnen die niet weg konden. Ze wilde helpen.
Ik heb haar toen aangekeken alsof ze zei dat ze wilde verhuizen naar Canada.
“Maar we hebben al betaald,” zei ik eerst. Dat was laf, want geld was niet het echte punt. We konden het missen. Daarna zei ik: “Kees en Marijke rekenen hier al maanden op.”
Anja stond bij het aanrecht sperziebonen schoon te maken. Ze legde er een paar te hard in de schaal.
“En waar reken jij op, Henk?” vroeg ze.
Ik wist het niet. Of eigenlijk wist ik het wel, maar ik schaamde me ervoor. Ik rekende erop dat alles bleef zoals het was, nu de rest van het leven al zo veranderde. Mijn werk was weg. Mijn moeder was overleden. Onze dochter woonde met haar gezin in Zwolle en kwam niet zomaar op zondag koffie drinken. Kees en Marijke waren geen gewone vrienden voor mij. Ze waren een stuk van mijn kalender, en blijkbaar ook van mijn houvast.
Een week later kwamen Kees en Marijke eten. Anja had gezegd dat ze het zelf wilde vertellen. We aten lasagne uit de oven en er stond een fles rood op tafel die Kees had meegenomen. Eerst praatten we over onkruid, de energieprijs en zijn knie, die nog steeds niet goed was na die val met de e-bike.
Toen zei Anja: “Ik ga deze zomer niet mee naar Frankrijk.”
Kees zette zijn glas neer. “Niet mee?”
Ze legde uit waarom. Rustig ook. Ze zei dat ze niet minder van hen hield, maar dat dit werk haar veel gaf en dat ze niet alles meer om vaste afspraken heen wilde plannen.
Marijke keek naar haar bord. “Dus wij zijn een vaste afspraak geworden.”
“Dat bedoel ik niet.”
“Maar zo voelt het wel,” zei Marijke. “We hebben altijd gezegd: als we later tijd hebben, gaan we dat samen doen. Nu is die tijd er, en jij bent ergens anders nodig.”
Anja kreeg rode vlekken in haar hals, wat ze altijd krijgt als ze boos wordt maar probeert netjes te blijven.
Kees zei: “Je mag natuurlijk doen wat je wilt. Maar je kunt niet verwachten dat alles hetzelfde blijft als je steeds afzegt.”
Daar zat iets waars in, en juist daarom deed het pijn. Ik wilde dat iemand duidelijk ongelijk had. Dat gebeurde niet.
Anja zei dat ze dat ook niet verwachtte. Marijke vroeg toen, heel zacht eigenlijk: “Wat wil je dan nog wel met ons?”
Het gesprek werd daarna rommelig. Ik probeerde te sussen en zei dat Anja misschien niet iedere week hoefde te gaan. Daar keek ze me zo aan dat ik meteen wist dat ik haar onder de bus gooide om de avond rustig te houden.
Ze zei: “Ik ga niet kiezen tussen jullie en dat werk.”
Marijke zei: “Maar je kiest al.”
Kees en Marijke zijn uiteindelijk vroeg weggegaan. Kees gaf me bij de voordeur een klop op mijn schouder. Tegen Anja zei hij alleen: “Denk er nog eens over na.”
We zijn die zomer met z’n drieën naar Frankrijk gegaan: ik, Kees en Marijke. Anja bleef thuis. Het klinkt misschien kinderachtig, een man van achtenzestig tussen twee vrienden in een vakantiehuisje, maar zo voelde het soms ook. We deden ons best. We wandelden, we gingen naar een markt, Kees verbrandde worstjes op de barbecue. Maar er bleef een lege stoel, zelfs als er geen stoel stond.
Anja stuurde foto’s van een picknick in het park met mensen van het taalcafé. Op één foto stond ze te lachen met een fietshelm scheef op haar hoofd. Ik werd er eerst boos van. Daarna miste ik haar. En daarna schaamde ik me voor allebei.
Nu is het november. We zien Kees en Marijke nog, maar minder vaak. Vorige week dronken we koffie bij hen. Marijke had appeltaart gebakken. Anja vertelde over een vrouw die net haar inburgeringsexamen had gehaald. Kees luisterde beleefd, maar niet zoals vroeger. Hij vroeg vooral of we met kerst dan wél konden.
Anja zei: “Ik denk het wel, maar ik beloof liever geen hele dag meer maanden van tevoren.”
Niemand zei daar iets op.
Vanmiddag heeft Anja een nieuwe agenda gekocht. Geen papieren familieplanner meer zoals ze altijd had, maar een kleine blauwe die in haar tas past. Ze zit nu aan de eettafel afspraken over te schrijven. Ik zie dat kerst er nog niet in staat. Frankrijk ook niet. Donderdag wel, met dikke letters.
Ik weet nog niet of ik daar blij mee moet zijn of bang voor moet worden.