Na veertig jaar vriendschap bleek ons huis in Frankrijk ineens niet meer van ons vieren

De eerste keer dat ik dacht: dit gaat mis, zaten we niet eens in Frankrijk maar bij Henk en Marjan aan de eettafel in Nieuwegein. Marjan had stoofvlees gemaakt, veel te veel zoals altijd, en Henk had een map op tafel gelegd met van die plastic insteekhoezen. Daar zat een tekening in van een huis met vijf slaapkamers.

Vijf.

Ik keek naar Ria. Zij keek niet terug. Ze was haar servet aan het opvouwen, heel precies, terwijl ze normaal juist altijd zegt dat ik overal te veel achter zoek.

Henk tikte met zijn vinger op de tekening. “Als we dan toch gaan bouwen, moeten we het meteen goed doen. Anders zit straks iedereen op elkaars lip.”

Ik vroeg nog: “Iedereen?”

“Nou ja, de kinderen, de kleinkinderen. Jullie dochters met aanhang. Misschien vrienden die een weekje willen komen. En ik wil daar gewoon een grote tafel onder een overkapping. Elke zaterdag barbecue, beetje jeu de boules. Je kent mij.”

Dat laatste klopte natuurlijk. Ik ken Henk al sinds 1978. We werkten toen allebei bij een installatiebedrijf in Utrecht. Hij was degene die op vrijdagmiddag altijd nog een rondje haalde, ook als hij eigenlijk geen geld had. Ik leerde Ria kennen via hem, en Marjan was getuige bij ons huwelijk. Onze kinderen zijn samen opgegroeid met kamperen in Frankrijk, eerst in een vouwwagen en later met twee caravans naast elkaar op dezelfde camping.

We hebben samen verhuizingen gedaan, scheidingen van anderen opgevangen, een begrafenis meegemaakt van Henks broer. Toen Ria borstkanker had, stonden Henk en Marjan twee keer per week met eten voor de deur. Niet omdat dat moest, maar omdat zij dat waren.

En jarenlang hadden we het erover: als we later stoppen met werken, kopen we iets in Frankrijk. Niet chic. Een oud huisje, misschien in de Creuse of de Dordogne, met een lap grond eromheen. Een plek waar je ’s ochtends koffie drinkt zonder dat er iets hoeft. Waar je boodschappen haalt in een dorpje, wat rommelt in de tuin, een boek leest en hooguit eens iemand uitnodigt.

Dat laatste beeld had ik blijkbaar voor mezelf ingevuld.

Ria en ik zijn nu allebei 67. Zij was eerder klaar bij de thuiszorg dan ze wilde, vanwege haar knieën. Ik ben vorig voorjaar gestopt als werkvoorbereider. De eerste maanden vond ik het eerlijk gezegd onwennig. Iedereen vraagt dan of je al lekker geniet. Alsof genieten een taak is die je meteen goed moet uitvoeren.

Wij genieten vooral van weinig. Op woensdag koffie bij mijn zus, op zondag een rondje fietsen als het droog is. In onze caravan op de Veluwe vinden we het al heerlijk als we om half acht de kikkers horen en niemand iets van ons verwacht.

Henk daarentegen is sinds zijn pensioen drukker dan toen hij werkte. Hij helpt zijn zoon met verbouwen, rijdt naar voetbalwedstrijden van zijn kleinzoon, zit bij een wijnclubje en heeft volgens mij drie WhatsApp-groepen waar hij elke ochtend iets in gooit. Marjan moppert daar weleens over, maar ze vindt het ook fijn, denk ik. Hun huis staat altijd open. Er zijn altijd jassen over stoelen, een vergeten knuffel op de bank, bakjes met restjes in de koelkast.

Niets daarvan is verkeerd. Alleen ik wil er niet voor betalen om er vervolgens voor weg te moeten vluchten.

Na die avond zei Ria in de auto bijna niets. Bij het verkeerslicht bij de Galecopperbrug zei ze ineens: “Ik ga niet op mijn oude dag een bedden opmaken voor een stoet mensen.”

Ik moest lachen, maar zij niet.

“Dat bedoel ik niet eens,” zei ze. “Ik wil best dat de kinderen komen. Natuurlijk. Maar Henk praat alsof dat huis een soort tweede buurthuis wordt. En dan mogen wij straks ook nog de helft van de kosten betalen.”

De dagen erna probeerde ik het kleiner te maken dan het was. Misschien was Henk gewoon enthousiast. Misschien moesten we er rustig over praten. Maar twee weken later stuurde hij een Excelbestand rond. De grond die we op het oog hadden, lag bij een klein dorp ten zuiden van Limoges. Het bestaande huis was bouwvallig, dus nieuwbouw was volgens hem verstandiger. Met vier slaapkamers zouden we ieder ongeveer 235.000 euro kwijt zijn. Met vijf slaapkamers, twee badkamers en een gastenstudio kwam het neer op bijna drie ton per stel.

Daar zat ik naar te kijken aan onze eettafel, met mijn leesbril op het puntje van mijn neus. Drie ton. We konden het betalen als we onze spaarpotten en een deel van de overwaarde gebruikten, maar dan was het wel ongeveer alles wat we apart hadden gezet voor later. Voor zorg, voor als er iets met een van ons gebeurt, voor gewoon geen gedoe.

Ik belde Henk niet meteen. Dat is misschien laf geweest. Ik stuurde een berichtje: ‘Kunnen we zondag even zonder de dames praten?’

Hij reageerde met een duimpje.

We liepen zondag langs het Amsterdam-Rijnkanaal. Henk had koffie in een thermoskan mee en praatte eerst over een lekkage bij zijn dochter. Ik wachtte te lang, zoals ik vaker doe. Uiteindelijk zei ik dat Ria en ik niet mee wilden in een groot huis met een vaste verwachting dat er steeds mensen zouden zijn.

Hij bleef staan. “Vaste verwachting? Arie, niemand dwingt jullie toch?”

“Niet dwingen, nee. Maar als we samen eigenaar zijn en jij nodigt je hele familie uit, dan zitten wij daar ook middenin. Of wij kunnen niet komen omdat jullie er met twaalf man zitten.”

Hij keek naar het water. “Dus mijn kleinkinderen zijn ineens een probleem.”

Dat had ik niet gezegd, maar ik snapte wel dat het zo klonk.

“Ik zeg niet dat ze een probleem zijn. Ik wil alleen niet dat ons plan verandert in iets waar wij ons niet thuis voelen.”

Henk werd boos, niet hard schreeuwend, dat doet hij niet. Hij werd stil en kort. Hij zei dat hij altijd had gedacht dat we dit samen zouden doen, zoals we alles samen hadden gedaan. En toen zei hij iets waar ik nog steeds last van heb: “Jullie willen blijkbaar wel de zon en de rust, maar niet het gedoe dat bij mensen hoort.”

Misschien had hij deels gelijk. We hebben de afgelopen jaren vaak genoten van hun drukte, juist omdat we daarna naar huis konden.

De week daarna was er geen contact. Geen stomme foto’s in de groepsapp, geen bericht van Marjan over een aanbieding bij de Lidl. Ria zei dat het haar rust gaf, maar ik zag haar toch telkens op haar telefoon kijken.

Uiteindelijk zijn we met z’n vieren bij ons thuis gaan zitten. Geen wijn dit keer, alleen koffie en een schaal met koekjes waar niemand van at. Marjan had rode vlekken in haar hals. Zij zei dat ze ook niet wist dat Henk al zo ver in zijn hoofd was met die grote opzet. Henk zei dat zij er wel degelijk enthousiast over was geweest. Dat ontkende ze niet echt.

Ria legde uit dat zij niet nog eens een leven wilde organiseren rondom wie er wanneer ergens terechtkan. Ze had dat lang genoeg gedaan, met werk, met onze dochters, met haar moeder destijds. Ik hoorde haar praten en besefte dat ik dit gesprek eigenlijk veel eerder had moeten voeren. Met Henk, maar ook met haar.

We hebben geen besluit genomen die avond. Alleen één ding wel: we kopen niets samen zolang we niet ieder precies kunnen zeggen hoe we het voor ons zien. Niet alleen hoeveel kamers, maar ook wie er gebruikmaakt van het huis, hoe lang, wie schoonmaakt, wat er gebeurt als een van ons er financieel uit wil. Vreselijk ongezellig, zei Henk. Daar had hij gelijk in.

Een paar dagen geleden stuurde Marjan een link naar een klein huisje bij Figeac. Twee slaapkamers, een schuur, geen zwembad. ‘Misschien meer iets voor jullie’, schreef ze. Daarna: ‘Geen hint hoor.’

Ik heb nog niet gereageerd. Henk ook niet, voor zover ik weet.

Vanmiddag ga ik met Ria naar de caravan. Het is maart, dus waarschijnlijk regent het en is het daar koud. We nemen soep mee en een elektrische deken. Misschien kijken we alleen maar naar de natte bomen achter het veldje.

Op dit moment klinkt dat eerlijk gezegd als genoeg.