Na 34 jaar vriendschap stelde ik mijn beste vriendin een vertrekdatum — en nu weet ik niet of ik haar in de steek heb gelaten

De wekker ging om half zeven, zoals altijd, maar ik bleef nog even liggen omdat ik de trap hoorde kraken. Niet Marijke, mijn vrouw. Zij slaapt de laatste jaren zo licht dat je haar nauwelijks hoort. Het was Ellen, op weg naar beneden, met haar telefoon op speaker.

Ze woonde toen al vier maanden bij ons.

Ik hoorde haar zeggen dat ze “echt geen ademruimte” kreeg en daarna ging de waterkoker aan. Op zich stelt dat niks voor. Iemand mag thee zetten in je huis. Maar ik lag daar en dacht: ik kan niet eens in mijn onderbroek naar de badkamer zonder eerst te luisteren of er iemand beneden zit.

Ellen en haar ex, Rob, kennen we sinds 1989. We woonden toen allebei in een nieuwbouwwijk in Amersfoort, met kleine kinderen en veel te hoge hypotheekrente. Rob hielp mij ooit een schutting zetten die na een storm half bij de buren lag. Ellen paste op onze dochter toen Marijke met spoed naar het ziekenhuis moest vanwege een galblaasontsteking. We vierden oud en nieuw samen, gingen kamperen in Frankrijk, zagen elkaars kinderen studeren, verhuizen, trouwen en soms weer uit elkaar gaan.

Ik heb altijd gedacht dat sommige mensen gewoon bij je leven horen, zonder dat je daar iedere keer woorden aan hoeft te geven.

Toen Rob vorig najaar ineens vertelde dat hij al maanden een relatie had met iemand van zijn werk en wilde scheiden, was Ellen compleet van slag. Ik zeg niet dat Rob alles fout deed en zij niets. Zo simpel is het nooit. Ellen kon ook hard zijn, en de laatste jaren hadden ze volgens mij vooral langs elkaar heen geleefd. Maar de manier waarop het ging was beroerd. Rob wilde in het huis blijven tot de verkoop geregeld was. Ellen zei dat ze daar niet kon slapen, omdat ze hem telkens hoorde appen in de keuken of laat thuiskomen.

Op een zondagmiddag zat ze bij ons aan tafel met rode vlekken in haar hals. Ze had nauwelijks gegeten. Marijke had soep gemaakt, hoewel Ellen altijd zei dat ze een hekel had aan courgette.

“Ik hoef niet lang,” zei Ellen. “Echt een paar weken. Tot ik weer een beetje kan nadenken. Bij mijn zus kan ik niet, die zit al met haar schoonmoeder in huis. En een hotel, nou ja, daar word ik alleen maar gekker.”

Marijke keek mij aan. Ik wist eigenlijk al dat we ja zouden zeggen.

Onze jongste was net uit huis. Zijn kamer was nog niet echt een logeerkamer, meer een plek met een oud bed, verhuisdozen en een hometrainer die niemand gebruikte. We hebben diezelfde avond de dozen naar de zolder gebracht. Ellen kwam twee dagen later met drie koffers, een wasmand en een tas met papieren waarvan ze zei dat ze die niet kwijt mocht raken.

De eerste weken waren helemaal niet zo erg. Ze huilde veel, vooral ’s avonds. Marijke zat dan bij haar met een dekentje op de bank. Ik maakte soms een flauwe grap en dan lachte Ellen even, waarna ze zich daar bijna schuldig om voelde. Ze belde de huisarts, kreeg een verwijzing naar een praktijkondersteuner en zocht met hulp van haar dochter naar een huurappartement.

Ik vond het zwaar, maar ook logisch. Als je al zo lang bevriend bent, laat je iemand niet op straat staan omdat het ongemakkelijk wordt.

Alleen werd ongemakkelijk langzaam onze nieuwe manier van wonen.

Ellen stond vroeger op dan wij en deed dan de radio aan in de keuken. Niet keihard, maar net hard genoeg dat ik hem boven hoorde. Ze had overal een mening over. Over de thermostaat, die volgens haar belachelijk hoog stond. Over het brood dat ik bij de supermarkt haalde. Over Marijke die op woensdagavond naar haar koor ging terwijl Ellen dan alleen thuis zat.

Toen ik op een zaterdag zei dat ik die middag met mijn broer wilde klussen bij mijn moeder, vroeg Ellen of ik dan misschien eerst even naar de Praxis kon rijden voor een nieuw douchegordijn. Het oude vond ze “een beetje viezig”.

Ik ben gewoon gegaan. Niet omdat ik het wilde, maar omdat ik geen gedoe wilde.

Marijke zag natuurlijk ook wel dat het veranderde. Maar als ik er iets van zei, kreeg ze die blik die ze heeft als ze denkt dat ik te snel iets afkap.

“Ze is haar hele leven kwijt, Kees. Je kunt niet verwachten dat ze zich gedraagt alsof ze op een weekendje weg is.”

“Nee, maar ze woont hier wel alsof wij op een weekendje weg zijn.”

Dat was gemeen geformuleerd. Dat weet ik. Toch voelde het zo.

Het ergste was niet eens dat Ellen rommelig was of veel praatte. Het was dat er geen einde meer aan leek te komen. Ze reageerde wel op woningen, zei ze, maar er was altijd iets. Te klein, te ver van haar dochter, een loting die ze niet haalde, een wijk waar ze zich ’s avonds niet veilig zou voelen. Begrijpelijk, misschien. Met de woningmarkt zoals die is, zeker als je na een scheiding opeens met minder geld moet rondkomen. Maar ze had ook haar overwaarde, een baan voor drie dagen per week bij een verzekeraar en familie die af en toe iets kon doen.

Ze deed alleen bijna niets zonder dat Marijke ernaast zat.

Op een avond hoorde ik haar in de woonkamer tegen Marijke zeggen: “Als ik een appartement koop, maak ik de scheiding definitief. Dan is er echt geen weg terug.”

Daar zat volgens mij de kern. Niet in de woningen. Niet in het geld. Als ze hier bleef, hoefde ze nog niet helemaal te erkennen dat Rob niet meer terugkwam.

Maar dat kon ik moeilijk tegen haar zeggen. Wie ben ik om te bepalen hoe snel iemand moet herstellen?

In januari wilde ik een weekend naar Texel. Marijke en ik waren veertig jaar getrouwd en we hadden een klein hotelletje geboekt. Ellen zei meteen dat ze wel mee kon, dan hoefden we niet zo lang na te denken over wat we gingen eten. Ze bedoelde het waarschijnlijk luchtig. Ik keek naar Marijke, en Marijke zei: “Nee El, dit is even van ons samen.”

Ellen werd stil. Ze zei dat ze het begreep, maar de hele avond praatte ze nauwelijks.

Die nacht zei ik tegen Marijke dat dit niet langer kon. Niet na onze verjaardag, niet na de zomer, niet als er toevallig een perfecte woning voorbij zou komen. Ik zei dat ik op mijn tenen liep in mijn eigen huis en dat ik bang was dat ik op een dag iets zou roepen waar we nooit meer van terug zouden komen.

Marijke huilde zacht. Niet omdat ze het oneens was, denk ik. Eerder omdat ze wist dat we allebei gelijk hadden op een manier waar niemand iets aan had.

De maandag daarop hebben we met Ellen aan tafel gezeten. Geen grote voorbereiding, geen lijstje. Ik had koffie gezet en die werd koud.

Marijke begon. Ze zei dat we van haar hielden en dat we haar niet zomaar buiten zouden zetten. Dat we wilden helpen met bezichtigingen, met dozen, desnoods met een paar nachten ergens overbruggen. Maar dat ze uiterlijk 1 maart een andere plek moest hebben.

Ellen keek eerst alleen maar naar haar handen.

Toen zei ze: “Dus ik mag hier weg omdat jullie weer rust willen. Dat is wel heel netjes verpakt.”

Ik zei dat rust geen vies woord was. Meteen daarna had ik daar spijt van, want het klonk hard en zelfgenoegzaam.

Ze keek mij aan alsof ik iemand anders was geworden. “Ik dacht dat jullie mijn vrienden waren.”

“Dat zijn we ook,” zei Marijke.

“Nee,” zei Ellen. “Vrienden zetten geen datum op iemand die net uit een huwelijk van 32 jaar komt.”

Ze is die avond naar haar dochter gegaan en kwam de volgende dag terug om kleren op te halen. Sindsdien slaapt ze daar op de bank, voorlopig. Haar dochter woont met haar vriend in een driekamerappartement in Utrecht, dus ideaal is het bepaald niet.

Marijke appt haar bijna elke dag. Ik niet. Ik weet niet goed wat ik moet zeggen zonder óf weer boos te worden óf te doen alsof er niks gebeurd is. Rob heeft één keer gebeld. Hij wilde weten of Ellen goed terecht was gekomen. Ik heb gezegd dat hij dat beter aan haar zelf kon vragen.

Vorige week hebben Marijke en ik eindelijk de kamer opgeruimd. Onder het bed lagen haarspelden, een kassabon van de HEMA en een lege verpakking slaapthee. Marijke hield een vest van Ellen vast en vroeg of ik dacht dat we te vroeg waren geweest.

Ik zei dat ik het niet wist.

We hebben de kamer nu weer dichtgedaan, niet op slot of zo. Gewoon de deur dicht. De hometrainer staat er nog steeds, tegen de muur. Soms loop ik erlangs en verwacht ik dat ik Ellen hoor bellen. Dan is het stil, en daar ben ik opgelucht om. Die opluchting vind ik nog steeds het moeilijkste.