Na veertig jaar vriendschap vroegen onze beste vrienden of wij naast hen wilden gaan wonen

De envelop lag op tafel tussen de reclamefolders en de rekening van de energieleverancier. Dik crème papier, het handschrift van Marijke op de voorkant. Mijn vrouw Els dacht eerst dat het een uitnodiging was voor hun verjaardagen, hoewel die pas in november zijn.

Er zat een kaart in met: “Willen jullie zaterdag na het eten even blijven? We willen iets belangrijks bespreken.”

We kennen Marijke en Kees al sinds 1983. We woonden toen allebei in een huurflat in Amersfoort, met dunne muren en een gezamenlijke fietsenkelder waar altijd minstens één lamp kapot was. Kees hielp mij verhuizen toen Els en ik naar onze eerste koopwoning gingen. Marijke was erbij toen onze dochter Sophie geboren werd. Zij hebben geen kinderen gekregen, iets waar ze vroeger nauwelijks over praatten en later met een soort droge berusting wel.

We zijn samen op vakantie geweest, eerst met een vouwwagen naar Frankrijk en later met appartementen die altijd nét iets mooier waren op de foto’s. We aten jarenlang om de beurt bij elkaar met kerst. Niet ieder jaar, maar vaak genoeg dat het vanzelfsprekend voelde.

Die zaterdag hadden we wildstoofpot gegeten bij hen. Kees had twee keer gezegd dat hij het vlees zelf had gesneden, alsof dat een prestatie was die wij niet mochten onderschatten. Pas toen Els afruimde, begon Marijke.

Ze hadden hun testament aangepast. Of eigenlijk: ze waren ermee bezig. Ze wilden ons allebei als executeur aanwijzen.

Ik weet nog dat ik meteen ja zei. Niet eens echt nadenkend. Kees keek opgelucht en Marijke pakte mijn hand vast. Ze zei dat het fijn was om te weten dat er iemand zou zijn die hen kende, iemand die niet alleen naar papieren en spullen zou kijken.

Daarna kwam het tweede deel. Ze wilden zo lang mogelijk thuis blijven wonen. Als het moeilijker werd met boodschappen, ziekenhuisafspraken, administratie, misschien later persoonlijke verzorging, hoopten ze dat wij “een actieve rol” wilden spelen.

Els vroeg wat ze daar precies onder verstonden. Dat vond ik toen een nuchtere vraag, misschien zelfs wat kil. Marijke zei dat ze geen last wilden zijn. Kees zei: “Gewoon zoals vrienden doen.”

Wij waren net een halfjaar met pensioen. Ik had na 37 jaar bij de gemeente gewerkt, Els in de thuiszorg en later bij de planning. We hadden geen enorme pot geld, maar wel eindelijk tijd. We wilden in september zes weken met de camper door Duitsland en Slovenië. Niet spectaculair misschien, maar we hadden er jarenlang over gepraat.

In het begin leek alles goed te combineren. Ik bracht Kees een paar keer naar de fysiotherapeut omdat hij na een val last van zijn heup hield. Els ging met Marijke mee naar de oogarts toen ze niet durfde te rijden na het druppelen. We haalden boodschappen als het regende. Daar doe je toch niet moeilijk over.

Alleen werden die kleine dingen snel minder klein.

Marijke belde steeds vaker, meestal rond half negen ’s ochtends, precies als ik net koffie had gezet en de krant openvouwde. Soms ging het om iets praktisch. Haar DigiD werkte niet, de waterdruk was lager, ze had een brief van de gemeente gekregen die ze niet begreep. Soms wilde ze vooral vertellen dat Kees weer zo kortaf deed omdat hij pijn had.

Kees belde mij dan weer apart. Hij vond dat Marijke zich aanstelde en dat Els haar daarin bevestigde. Een keer zei hij: “Jij begrijpt toch wel dat ik niet voor elk pijntje de huisarts ga bellen?”

Ik zei dat ik hem begreep, terwijl ik eigenlijk dacht dat hij wél moest bellen. Dat is een beetje het probleem geworden: ik zei tegen allebei dat ik ze begreep.

Onze camperreis werd het eerste gedoe. We hadden geboekt, de route lag grotendeels klaar, Sophie zou de post af en toe weghalen. Toen vertelde Els erover tijdens een etentje. Marijke werd stil. Niet boos, gewoon stil. Dat is bij haar vaak erger.

Later, toen Kees even naar de keuken was, zei ze: “Zes weken is wel lang als er iets gebeurt.”

Els zei dat er thuiszorg mogelijk was als dat nodig werd en dat ze ook buren hadden. Marijke keek alsof Els had voorgesteld om hen ergens achter te laten. “Maar jullie zijn toch onze contactpersonen?”

We zijn uiteindelijk gegaan, maar niet zes weken. Na twaalf dagen kreeg Kees een ontstoken wond aan zijn been. Niet levensgevaarlijk, zei de huisartsenpost, maar hij moest wel dagelijks gecontroleerd worden. De wijkverpleging kwam, en de buurvrouw van hen zette twee keer een pan soep neer. Toch belden ze ons soms drie of vier keer per dag.

Ik nam op vanuit een camping bij Kassel, met Duitsers die naast ons de afwas deden en een kind dat steeds met een step langs onze plek reed. Kees wilde weten welke zalf hij precies moest gebruiken, terwijl dat op een papier van de verpleegkundige stond. Marijke wilde dat ik de apotheek belde omdat zij Kees niet vertrouwde als hij zei dat het wel goed zat.

Na vijf dagen zijn we teruggereden. Ik vertel mezelf nog steeds dat we dat deden omdat we ons toch niet konden ontspannen. Maar ik weet dat we ook teruggingen omdat ik de spanning aan de telefoon niet meer trok.

Daarna is het nooit meer echt ontspannen geworden. Als we een weekend naar Sophie in Zwolle gingen, vroeg Marijke wie er dan bereikbaar was. Als Els met haar zus naar Texel wilde, zei Kees dat hij het jammer vond dat we “juist nu” weg moesten. Juist nu bleek een rekbaar begrip.

Het gesprek over verhuizen kwam vorige maand. Kees loopt inmiddels met een rollator buiten. Marijke heeft last van haar handen en laat regelmatig dingen vallen. Hun huis is groot, met slaapkamers boven en een tuin waar Kees vroeger elk grassprietje bijhield. Ze wonen twintig minuten rijden van ons vandaan, aan de andere kant van Amersfoort.

Ze hadden een appartement gezien, hier in onze wijk. Niet ver van de winkels, gelijkvloers. Maar ze wilden dat wij ook iets zouden doen. Hun idee was dat wij ons rijtjeshuis zouden verkopen en in een kleiner appartement in hetzelfde complex zouden gaan wonen.

“Dan kunnen we naar elkaar omkijken,” zei Marijke.

Ze zei het echt alsof ze ons iets moois aanbood. Misschien bedoelde ze dat ook.

Els werd rood. Ik voelde het aan haar zonder te kijken. Ons huis is niet bijzonder, maar we wonen er al 31 jaar. De kleinkinderen slapen op zolder als ze blijven logeren. Ik heb eindelijk een kleine werkbank in de schuur. En vooral: we hadden het niet zo bedacht. Niet dit eerste pensioenjaar, waarin je nog moet wennen aan het feit dat maandag nergens meer voor staat.

Ik zei iets doms. Ik zei: “Dat is wel erg rigoureus.”

Kees keek me aan en antwoordde: “Wij vragen ook niet om ouder te worden.”

Daar kon ik niets tegenin brengen, maar ik voelde tegelijk irritatie. Alsof ouder worden hun overkwam en ons niet. Alsof onze tijd minder echt was omdat wij nog iets beter ter been zijn.

Op de terugweg zei Els bijna niets. Thuis zette ze thee en liet het zakje veel te lang in haar mok hangen. Toen zei ze dat ze niet wilde veranderen in iemand die haar telefoon op stil zet zodra Marijke belt. Maar dat ze dat die middag wel had gewild.

Ik heb de volgende dag Kees gebeld. Niet om ruzie te maken. Ik zei dat wij executeur willen blijven, als zij dat nog steeds willen, maar dat wij niet hun vaste zorgnetwerk kunnen zijn. Dat we mee willen denken over een traplift, huishoudelijke hulp via de Wmo, wijkverpleging als dat nodig is, misschien iemand die hun administratie doet. Maar niet verhuizen. En niet beloven dat we altijd beschikbaar zijn.

Hij was lang stil. Daarna zei hij alleen: “Dat valt me tegen, Henk.”

Sindsdien is het stiller. Marijke stuurt nog wel foto’s van haar kat en vraagt soms iets praktisch. Kees reageert kort in onze groepsapp. Volgende week gaan Els en ik drie nachten naar Limburg. De camper blijft voorlopig thuis; we hebben er allebei geen zin in om ver weg te zijn.

Ik heb de testamentpapieren nog niet getekend. Ze liggen in een map in de kast, naast onze eigen papieren. Soms denk ik dat ik ze moet teruggeven. Soms vind ik dat laf. Voorlopig heb ik alleen tegen Els gezegd dat ik de telefoon meeneem, maar dat ik hem niet de hele tijd in mijn hand wil houden.

Ze knikte en pakte de wandelkaarten van Limburg erbij. Daarna vroeg ze of ik wist waar de reservebril lag, want die wilde ze voor de zekerheid meenemen.