Onze vriendschap van veertig jaar voelt ineens als een zorgrooster

Ik heb de laatste jaren meer tijd doorgebracht in de wachtkamer van de huisarts dan op mijn racefiets. Dat klinkt misschien overdreven, maar zo voelt het wel.

Mijn vrouw Ineke en ik zijn allebei 68. We wonen in een rijtjeshuis in Amersfoort, niet groot, maar precies goed sinds onze dochters het huis uit zijn. Ik heb tot mijn pensioen bij de gemeente gewerkt, Ineke in het basisonderwijs. We hadden ons pensioen anders voorgesteld. Niet luxe of wereldreizend, hoor. Gewoon een paar maanden per jaar met de caravan weg, fietsen in Frankrijk, misschien eindelijk die treinreis naar Italië waar we het al jaren over hadden.

Dat deden we vroeger vaak met Henk en Marja. We kennen hen sinds 1981, van de camping in Zeeland. Onze kinderen waren toen nog klein en bouwden samen zandkastelen terwijl wij te lang bleven zitten met een fles wijn. Later gingen we met z’n vieren naar Duitsland, Toscane, Drenthe. Henk was degene die altijd wist welke route rustiger was. Marja nam steevast te veel eten mee, alsof er onderweg geen winkels bestonden.

Het waren geen kennissen met wie je eens per jaar uit eten gaat. Zij hoorden bij ons leven.

Toen Henk een lichte beroerte kreeg, vijf jaar geleden, was het logisch dat we hielpen. Marja reed al niet graag auto en Henk mocht een tijd niet rijden. Dus ik bracht hem naar de fysiotherapie. Ineke ging met Marja mee naar het ziekenhuis als ze een gesprek had waar ze tegenop zag. Daar dacht niemand moeilijk over. Henk zou hetzelfde voor mij doen, daar ben ik van overtuigd.

Alleen werd het niet minder toen Henk weer redelijk kon lopen. Hij bleef trager, vergat afspraken en raakte snel in de war als er iets veranderde. Marja kreeg last van haar heupen en durfde steeds minder alleen naar buiten. Hun wereld werd kleiner. En hoe kleiner hun wereld werd, hoe vaker onze telefoon ging.

‘Kees, zou jij even kunnen kijken naar de thermostaat? Hij doet raar.’

Of: ‘Ineke, Marja heeft zo’n brief van de zorgverzekeraar gekregen. Kun jij langskomen? Henk begrijpt het niet.’

Eerst was het twee keer per week. Daarna bijna dagelijks. Soms ging het om iets wezenlijks. Een valpartij, medicijnen die op waren, een afspraak bij de poli. Maar soms ook om een lampje dat vervangen moest worden of omdat Marja het eng vond dat Henk die ochtend zo stil was. Dan zaten we een uur bij hen aan tafel, met koffie uit van die dunne kopjes, en uiteindelijk bleek dat hij slecht had geslapen.

Ik ben daar niet trots op, maar ik begon op de telefoon te kijken voordat ik opnam. Als ik hun naam zag, voelde ik mijn schouders al omhoog gaan.

Ineke merkte dat natuurlijk.

‘Je hoeft niet altijd meteen te springen,’ zei ik op een avond. We zouden naar het zwembad gaan, maar Henk had gebeld omdat de televisie op een verkeerde zender stond. Ineke was erheen gegaan. Ik bleef thuis en at een boterham boven het aanrecht.

‘Hij raakt in paniek van dat soort dingen,’ zei ze.

‘Dan leert hij toch ook nooit dat het niet meteen opgelost hoeft te worden?’

Ze keek me aan alsof ik iets heel lelijks had gezegd. ‘Kees, hij is niet meer zoals vroeger.’

Dat wist ik ook wel. Juist daarom zei ik niets terug.

Er is thuiszorg voor Henk sinds zijn geheugenproblemen duidelijker zijn geworden. Er komt iemand om hem te helpen met douchen en medicijnen klaar te zetten. De praktijkondersteuner heeft met hen gesproken over dagbesteding. Hun zoon woont in Zwolle en komt, eerlijk is eerlijk, niet vaak. Hij heeft een drukke baan en twee pubers. Maar als er iets geregeld moet worden, bellen Henk en Marja toch eerst ons.

Dat is misschien ook onze eigen schuld. We hebben altijd gezegd: bel maar. We hebben nooit een grens genoemd, geen dag waarop we niet konden, geen moment waarop we ze naar iemand anders verwezen. Ineke vindt instanties ingewikkeld en onpersoonlijk. Zij zegt dat Henk en Marja al genoeg mensen hebben die hen van het kastje naar de muur sturen.

Ik snap dat. Alleen zijn wij inmiddels ook een soort voorziening geworden, maar dan zonder rooster en zonder achtervang.

Vorige maand hadden Ineke en ik eindelijk die Italiëreis uitgezocht. Niet eens heel lang: drie weken met de trein, Florence, Bologna en een paar dagen aan het Gardameer. We hadden geld opzijgezet en ik had de campingstoelen al op Marktplaats verkocht, omdat we dit keer niet met de caravan wilden. Ineke was weken bezig geweest met hotels vergelijken. Ze werd er bijna weer veertig van.

We vertelden het Henk en Marja tijdens de koffie. Ik dacht nog: misschien vinden ze het juist leuk voor ons.

Marja werd stil. Ze roerde in haar koffie terwijl er geen suiker in zat. Henk vroeg wanneer precies.

‘In september,’ zei Ineke. ‘Dan is het daar niet meer zo heet.’

Henk knikte, maar keek niet op. Marja zei na een tijdje: ‘Drie weken is wel lang.’

Ineke legde meteen uit dat haar zus een sleutel had, dat de thuiszorg gewoon doorging en dat hun zoon misschien een weekend kon komen. Ik vond het pijnlijk hoe snel ze zich begon te verantwoorden.

Marja keek naar mij. ‘Maar als er iets is, zijn jullie er dan niet.’

Ik zei dat ze natuurlijk 112 moesten bellen bij spoed, en anders de huisartsenspoedpost of hun zoon. Het klonk zakelijk, zelfs in mijn eigen oren. Henk werd rood in zijn gezicht.

‘Je denkt zeker dat we lastig zijn geworden,’ zei hij.

Dat was het moment waarop ik had moeten zeggen dat ik van hem hield als vriend, dat het niet daarom ging. In plaats daarvan zei ik: ‘Soms is het wel veel, Henk.’

De rest van de middag was verschrikkelijk. Niet met geschreeuw of zo. Juist niet. Marja zette nog een schaal met koekjes neer die niemand aanraakte. Toen wij weggingen, zei Henk: ‘Veel plezier dan maar,’ alsof we naar een pretpark gingen terwijl zij op een brandend schip achterbleven.

In de auto begon Ineke te huilen. Eerst zacht, met haar gezicht naar het raam. Daarna boos.

‘Hoe kun je dat zo zeggen? Hij weet zelf ook dat hij achteruitgaat.’

‘En wij dan?’ zei ik. ‘Mogen wij nog iets doen zonder dat we ons schuldig voelen?’

Ze zei dat vriendschap niet alleen voor de leuke jaren is. Daar heeft ze gelijk in. Ik weet nog hoe Henk naast me stond toen mijn vader overleed. Hij zei bijna niets, maar hij regelde wel dat iedereen koffie kreeg en bracht mijn moeder naar huis. Sommige mensen vergeet je dat niet.

Maar ik wil niet dat dankbaarheid verandert in een contract waar ik nooit voor getekend heb.

We hebben nog niet geboekt. Ineke zegt dat ze eerst met Marja wil praten, zonder mij erbij misschien, omdat ik volgens haar al met één been buiten die vriendschap sta. Dat doet pijn, want zo voelt het niet. Ik wil alleen niet iedere ochtend wakker worden met de vraag wie er vandaag weer iets van ons nodig heeft.

Vanmiddag belde Henk. Ik nam op. Hij vroeg of ik vrijdag mee wilde naar de neuroloog, omdat zijn zoon niet kon. Ik zei dat ik die ochtend al een afspraak had bij de tandarts en dat ik daarna wel kon kijken of het lukte.

Hij zei: ‘Laat maar. We redden ons wel.’

Ik weet niet of dat een verwijt was of dat hij het echt meende. Daarna zat ik een tijdlang met mijn jas nog aan op de rand van de bank.

De folder van Italië ligt op tafel, onder een stapel post van Marja die Ineke vorige week voor haar heeft uitgezocht.