Onze maandelijkse etentjes waren altijd mijn veilige plek, tot mijn vrouw niet meer wilde zwijgen
Ik weet nog precies wanneer ik voor het eerst dacht: dit gaat niet meer vanzelf goedkomen. Het was bij Henk en Marijke in Amersfoort, afgelopen november. We zaten aan hun lange eettafel, acht man, zoals eigenlijk elke eerste zaterdag van de maand. Er stond wildstoof op tafel en Marijke had weer veel te veel bijgerechten gemaakt. Daar maakten we altijd grapjes over.
Maar die avond zei Kees iets over asielzoekers in zijn straat. Niet eens bijzonder tactvol, eerlijk gezegd. Iets in de trant van dat hij niet snapte waarom er voor sommige mensen “alles geregeld werd” terwijl zijn dochter al jaren op een woning wachtte.
Anneke legde haar vork neer. Mijn vrouw doet dat heel rustig als ze kwaad wordt. Vroeger merkte ik het nauwelijks, nu herken ik het meteen.
“Wat bedoel je precies met alles geregeld?” vroeg ze.
Kees haalde zijn schouders op. “Nou ja, je leest toch ook de krant.”
Toen ging het mis. Of eigenlijk: toen begon iets wat al maanden aan het opbouwen was zichtbaar te worden.
Anneke is 65, net als ik bijna met pensioen. Ze werkte jarenlang drie dagen per week op de administratie van een fysiopraktijk. Goede baan, fijne collega’s, maar ze heeft er nooit veel over gepraat. Sinds ze minder werkt, is ze actief geworden bij een lokale groep die zich bezighoudt met opvang, betaalbare woningen en klimaat. Ze gaat naar raadsvergaderingen. Ze schrijft soms brieven naar de krant. Vorig voorjaar heeft ze zelfs ingesproken bij de gemeenteraad. Ik was trots op haar, echt waar. Ik vond het moedig dat ze iets deed in plaats van alleen mopperen aan de keukentafel, zoals ik.
Alleen nam ze het overal mee naartoe.
Niet alleen naar onze etentjes. Ook naar de verjaardag van mijn broer, naar de barbecue bij de buren, naar de koffie na het tennis. Als iemand iets zei waar ze het niet mee eens was, zag je haar denken: laat ik het zitten of niet? En steeds vaker liet ze het niet zitten.
Die avond bij Henk en Marijke zei ze tegen Kees dat hij mensen die hij niet kende wegzette als een kostenpost. Kees werd rood en zei dat hij gewoon zorgen had. Anneke zei dat zorgen hebben iets anders is dan praten alsof hele groepen mensen minder recht hebben op een normaal leven.
Henk probeerde nog over voetbal te beginnen, maar niemand pakte dat op. Marijke schoof de schaal sperziebonen naar voren zonder iemand aan te kijken. Mijn maag trok helemaal samen. Ik wist dat ik iets moest zeggen, maar ik had geen idee wat zonder iemand af te vallen.
“Kunnen we gewoon eten?” zei ik uiteindelijk.
Anneke keek naar mij alsof ik haar een klap gaf. Niet hard, niet boos zelfs. Meer teleurgesteld. Dat was erger.
Na die avond werd er een tijd lang niets in de groepsapp gezegd, behalve een foto van de hond van Ria en een berichtje over een verloren sjaal. De volgende bijeenkomst werd afgezegd omdat Henk griep had. Daarna omdat Peter en Ria naar hun kleinzoon moesten. Misschien was dat allemaal waar. Misschien niet.
Onze groep bestaat al sinds 1988. We leerden elkaar kennen op een camping in Frankrijk, met kleine kinderen, lekkende tenten en veel te goedkope rode wijn. Later woonden we allemaal min of meer in dezelfde hoek: Utrecht, Zeist, Nieuwegein. We hebben elkaars kinderen zien opgroeien. We stonden bij begrafenissen van ouders. Toen ik drie jaar geleden mijn hartinfarct had, was Kees degene die zonder vragen mijn auto uit het ziekenhuis kwam ophalen. Henk regelde dat mijn fiets thuis kwam. Marijke kookte een week lang voor ons omdat Anneke toen zelf ook compleet op was.
Voor mij zijn die mensen niet zomaar kennissen met wie je een keer per maand eet. Na mijn infarct werd ik sneller onrustig, hoewel ik daar niet graag een heel verhaal van maak. Ik slaap soms slecht. Als ik een rare steek voel, zit ik binnen een minuut weer op de spoed. Bij die avonden met hen hoef ik niet uit te leggen hoe het met me gaat. Ik kan gewoon luisteren naar Henk die te lang over zijn camper praat, of met Peter ruzie maken over Ajax en PSV. Het is voorspelbaar. Misschien saai, maar ik heb die saaiheid nodig.
Anneke vindt dat laf.
Niet met die woorden. Ze zegt: “Jij verwart rust met alles vermijden wat ongemakkelijk is.”
Daar zit iets in. Ik weet ook wel dat Kees soms onzin uitkraamt. Ik heb hem daar vroeger best weleens op aangesproken. Maar niet aan tafel, niet op een avond waarop we elkaar eigenlijk zien om even niet in de wereld te hoeven staan. Ik ben geen politicus. Ik wil niet ieder gesprek winnen of verliezen.
Twee weken geleden kregen we een bericht van Marijke. Niet in de groepsapp, maar apart aan ons allebei. Of we misschien koffie wilden komen drinken. Zonder de rest.
Anneke wilde eerst niet. Ze zei dat ze geen zin had in een soort verhoor. Toch gingen we.
Marijke had appeltaart gehaald van de bakker, wat ze altijd doet als ze iets moeilijks wil bespreken. Henk bleef opvallend lang in de keuken rommelen met het koffiezetapparaat.
Uiteindelijk zei Marijke dat de groep de laatste tijd op eieren liep. Dat mensen bang waren om iets verkeerds te zeggen. Dat ze Anneke niet kwijt wilden, maar ook niet meer met buikpijn naar een etentje wilden komen.
“Zou je politieke onderwerpen niet gewoon thuis kunnen laten?” vroeg ze. “Tenminste, tijdens onze avonden.”
Anneke zei niets. Ze keek naar het servetje dat ze op haar schoot had gelegd, vouwde een hoekje om en vouwde het weer terug.
Ik dacht: zeg nou iets zachts. Zeg dat het niet zo bedoeld is. Maar Henk zei: “We zijn op onze leeftijd toch niet meer bezig elkaar op te voeden?”
Toen keek Anneke op.
“Dus ik mag wel komen,” zei ze, “zolang ik niet zeg wat ik denk.”
Marijke begon meteen te huilen. Dat had ik niet verwacht. Anneke ook niet, geloof ik. Zij werd er juist stiller van.
Thuis hebben we voor het eerst in jaren echt lelijk ruziegemaakt. Niet schreeuwen en gooien, zo zijn wij niet. Maar dat soort harde, korte zinnen waar je later nog last van hebt.
Ik zei dat ze best mocht kiezen voor haar idealen, maar dat ze niet moest doen alsof er niks op het spel stond. Zij zei dat ik haar vroeg kleiner te worden zodat ik gezellig kon blijven doen met mensen die haar alleen prettig vonden als ze instemde.
“Het gaat niet om gezellig doen,” zei ik.
“Waar gaat het dan om, Rob?”
Ik wist het antwoord wel, maar ik schaamde me ervoor. Het gaat erom dat ik bang ben. Bang om die groep kwijt te raken. Bang dat mijn wereld nog kleiner wordt nu we ouder worden. Bang dat ik op zaterdagavond alleen naast haar op de bank zit, terwijl we allebei doen alsof we liever thuis zijn gebleven.
Ik heb dat uiteindelijk ook gezegd. Niet mooi, niet rustig. Gewoon terwijl ik mijn jas nog aanhad in de gang.
Anneke keek me aan en zei: “En ik dan? Moet ik bang zijn dat jij mij ook kwijtraakt zodra ik lastig word?”
Sindsdien is het stil tussen ons op een vervelende manier. We praten heus over boodschappen, over onze zoon die weer eens te weinig slaapt door die nieuwe baan, over de cv-ketel die rare geluiden maakt. Maar dit ligt eronder.
Volgende maand zou Peter jarig zijn. Hij heeft nog geen uitnodiging gestuurd. Misschien komt die nog. Misschien ook niet.
Vanmiddag zag ik Anneke aan de keukentafel zitten met een stapel folders voor een bijeenkomst over woningbouw. Ze vroeg of ik koffie wilde. Ik zei ja. Ze zette mijn mok neer zonder me aan te kijken, maar wel precies met genoeg melk, zoals altijd.
Ik heb mijn telefoon op tafel gelegd. De groepsapp staat al negen dagen stil.