Sinds Kees met pensioen is, voelt ons huis niet meer als mijn thuis
Kees heeft vorige maand voor het eerst op een dinsdagmiddag de ramen gelapt. Niet omdat ze vies waren, maar omdat hij niet wist wat hij anders moest doen.
Ik kwam thuis van kantoor, natgeregend vanaf station Amersfoort, en hij stond op een keukentrapje met een emmer sop op de vloer. Hij had ook de kruidenla opgeruimd. Mijn kruidenla. Alles zat ineens in glazen potjes met etiketten erop: paprikapoeder, tijm, nootmuskaat. Het zag er keurig uit, daar niet van. Maar ik kreeg er een vreemd benauwd gevoel van.
Kees is 67 en sinds januari met pensioen. Hij werkte bijna veertig jaar bij een installatiebedrijf, eerst buiten en later als werkvoorbereider. Hij keek maanden uit naar zijn laatste werkdag. Hij had een aftelkalender op de koelkast, wat ik toen nog aandoenlijk vond.
Ik ben 63 en werk als manager bedrijfsvoering bij een zorgorganisatie. Niet omdat het moet, financieel zouden we het met minder ook redden. Maar ik wil het. Misschien klinkt dat egoïstisch, zeker als ik het zo opschrijf. Alleen: ik ben eindelijk op een plek gekomen waar ik niet steeds hoef te bewijzen dat ik ergens verstand van heb. Ik heb een goed team, ik mag beslissingen nemen en er zijn dagen dat ik moe ben, maar wel op een manier waar ik tevreden van word.
Kees dacht volgens mij dat zijn pensioen ook een beetje mijn pensioen zou worden. Niet letterlijk, maar toch.
De eerste week vroeg hij iedere ochtend wat mijn planning was. Hij bedoelde het lief. Hij zette koffie voor me, maakte broodjes klaar en zei dan: “Je hoeft toch pas half negen weg?” Alsof dat betekende dat we rustig een uur konden zitten praten.
Ik vertrek normaal rond kwart over zeven. Ik drink mijn koffie staand, kijk ondertussen in mijn agenda en vergeet meestal mijn lunch mee te nemen. Dat is al jaren zo. Kees vond dat vroeger eerder irritant dan gezellig.
Na twee weken begon hij plannen te maken. Eerst een midweek naar Limburg, in maart. Daarna wilde hij in mei met de camper van zijn broer naar Frankrijk. “Nu kan het nog,” zei hij. “We zijn gezond. Waarom wachten?”
Ik zei dat ik in maart een nieuw elektronisch cliëntdossier moest invoeren en dat mei sowieso lastig was wegens de begrotingsronde.
Hij keek me aan alsof ik had gezegd dat ik niet meer van hem hield.
“Jij hebt altijd wel iets,” zei hij.
Dat was niet helemaal eerlijk, maar ook niet helemaal onwaar. Ik heb inderdaad altijd wel iets. Dat is mijn werk. En soms misschien ook een schuilplek, daar ben ik niet blind voor. Thuis is de laatste jaren vaak rustig geweest. Onze twee dochters zijn al lang het huis uit. Noor woont met haar vrouw en hun zoontje Mees in Zwolle. Eva woont in Utrecht en heeft net een baby gekregen, Lotte. Kees en ik hadden ieder onze eigen ritme. Hij ging op donderdagavond klaverjassen, ik at dan yoghurt op de bank en keek iets doms terug. Zaterdag deed hij de boodschappen, zondag fietste ik met een vriendin.
Nu zit hij overal tussendoor.
Hij bedoelt het niet verkeerd. Hij vraagt of ik zin heb om samen te lunchen als ik thuiswerk. Hij komt boven staan als ik in een Teams-overleg zit, omdat hij wil weten of ik ook koffie wil. Hij stelt voor om alvast bij Noor langs te gaan als ik een vrije vrijdag heb. Als ik zeg dat ik die vrijdag wil werken, zucht hij niet eens hard. Dat zou bijna makkelijker zijn. Hij zegt alleen: “Ja, natuurlijk. Jij moet weer.”
Vorige week kwam hij met Funda op zijn tablet aan de eettafel zitten. Een appartement in Drenthe, nieuwbouw, vlak bij de natuur. Twee slaapkamers, balkon, lift, lagere energielasten. Hij had het al helemaal doorgerekend.
“Als we dit huis verkopen,” zei hij, “houden we genoeg over om jou eerder te laten stoppen. Dan kunnen we doen wat we willen.”
Ik zei meteen nee. Veel te snel misschien. Hij was nog niet eens uitgepraat.
Ons huis staat in Amersfoort, in de wijk waar we de kinderen hebben zien opgroeien. Mijn werk is twintig minuten fietsen. Mijn moeder woont hier nog, al redt ze zich prima. Mijn vriendinnen wonen hier. De bakker kent me niet bij naam, zo’n dorp zijn we niet, maar ik weet wel welke jongen altijd te weinig maanzaad op mijn broodje doet. In Drenthe ken ik niemand. En ik wil helemaal niet eerder stoppen.
Kees werd rood in zijn nek. “Dus we blijven hier wonen omdat jij naar kantoor wilt?”
“Niet omdat ik naar kantoor wil. Omdat dit mijn leven is.”
Hij zei: “En ik dan?”
Daar had ik geen goed antwoord op. Ik zei iets over een vrijwilligersfunctie, over zijn oude collega’s, over een cursus fotografie die hij ooit leuk leek te vinden. Achteraf klonk het alsof ik hem weg wilde organiseren. Misschien was dat ook zo.
De zondag erna gingen we naar Noor. Mees was verkouden en wilde alleen bij zijn opa op schoot. Kees zat glimmend op de grond met houten treinrails, terwijl Noor flessen aan het uitkoken was voor de baby van Eva die een week eerder was geboren. Het was rommelig, warm en lawaaierig. Normaal word ik daar juist blij van.
Eva vroeg tussen neus en lippen door of wij komende zomer een week op Mees wilden passen. Zij en haar vriendin wilden voor het eerst sinds zijn geboorte samen weg.
Kees zei meteen: “Natuurlijk.”
Ik keek hem aan. Hij wist dat ik die week een belangrijke inspectieronde heb. Hij keek terug alsof ik hem in de steek liet.
“Noem maar een datum,” zei ik uiteindelijk, “dan kijk ik wat ik kan schuiven.”
Toen zei Kees, waar iedereen bij zat: “Marjan moet altijd eerst kijken of haar werk het toestaat. Ik heb alle tijd van de wereld, maar blijkbaar doen we daar niet zoveel mee.”
Het werd stil. Zelfs Mees keek op, hoewel hij natuurlijk geen idee had.
Noor zei heel zacht: “Pap.” Meer niet.
Ik voelde mijn gezicht heet worden. Ik wilde hem iets naars teruggeven, over dat hij sinds januari nog geen enkele keer zelf met iemand heeft afgesproken. Over dat hij van mij een soort activiteitenbegeleider probeert te maken. Maar ik deed het niet. Ik zei dat ik even naar buiten ging om lucht te halen.
Hij kwam vijf minuten later naast me staan bij de containerbakken. Heel romantisch was het niet. Hij zei dat hij zich niet had moeten laten gaan.
Daarna zei hij: “Ik ben gewoon eenzaam, Marjan.”
Ik geloofde hem. Dat maakte het juist zo moeilijk. Kees is nooit iemand geweest met een grote vriendenkring. Zijn werk wás zijn kring. De mannen van het klaverjassen praten vooral over voetbal en prostaatklachten, zei hij laatst. Hij mist het gevoel dat iemand hem nodig heeft. En ik snap dat hij bij de kleinkinderen iets zoekt wat op een nieuwe taak lijkt.
Maar ik kan niet zijn antwoord op alles worden.
Thuis hebben we er nauwelijks over gepraat. Hij heeft de Funda-pagina’s gesloten, maar ik zie soms dat hij weer kijkt. Ik heb mijn werkagenda niet aangepast. Wel heb ik voor het eerst in jaren een vrijdagmiddag geblokkeerd, niet voor een vergadering maar voor ons. We gaan dan naar een tentoonstelling in Arnhem waar hij heen wil. Daarna eten we ergens een uitsmijter of iets dergelijks.
Hij noemt het een begin. Ik weet nog niet of ik dat ook zo voel.
Vanmorgen vroeg hij of ik die vrijdag misschien toch vrij kan nemen, de hele dag. Ik zei dat ik het zou proberen. Hij knikte, maar ik zag aan zijn gezicht dat “proberen” voor hem niet hetzelfde betekent als voor mij.
Toen ik wegging, stond hij weer bij het raam. Niet met een emmer dit keer. Gewoon te kijken hoe ik mijn fiets van het slot haalde.