Mijn man wilde niet meer mee naar Frankrijk, maar voor mij voelde het alsof hij ook onze vrienden achterliet
“Ik ga niet nog eens twee weken volgens het schema van Ans leven,” zei Willem.
Hij stond in de keuken met zijn jas nog aan. Buiten tikte regen tegen het raam. Op tafel lag zijn telefoon, met het bericht van Kees in beeld: het huis in Frankrijk was voor volgend jaar vastgelegd. Het voorschot was betaald. Iedereen moest diezelfde avond nog even bevestigen.
Ik lachte eerst. Zo’n kort, ongelovig lachje.
“Doe niet zo raar. We gaan daar al sinds 1991 heen.”
Willem keek me aan, maar niet echt. Hij keek langs me heen, naar het koffiezetapparaat dat nog nadruppelde.
“Precies daarom. Al vierendertig jaar doe ik alsof ik het leuk vind om om half acht aan een ontbijttafel te moeten zitten omdat Kees anders het stokbrood verkeerd snijdt.”
Dat kwam hard binnen. Niet omdat hij ongelijk had. Kees wás zo. Hij maakte lijstjes: wie wanneer kookte, welke dag er naar de markt werd gegaan, hoe laat we vertrokken voor een wandeling. Ans zette elke ochtend de stoelen recht en zuchtte als iemand uitsliep. Maar dat hoorde er toch bij? We plaagden hen ermee. We waren met z’n vieren een soort klein gezin geworden.
Willem en ik, Kees en Ans. Zondagse verjaardagen, kerstdiners, ziekenhuisbezoeken, de uitvaarten van onze ouders. Toen onze dochter naar Groningen verhuisde, stond Ans met een pan soep voor de deur. Toen Kees zijn baan kwijtraakte, hielp Willem hem maandenlang met sollicitatiebrieven. Je zet zulke mensen toch niet zomaar buiten je leven?
“Niemand zet iemand buiten,” zei Willem, zachter nu. “Ik wil alleen rust. Ik ben net met pensioen, Marjan. Ik heb mijn hele leven op de klok geleefd. Op kantoor, thuis, overal. Mag ik nu eens wakker worden zonder dat iemand vraagt wat we vandaag gaan doen?”
Ik wilde zeggen dat hij dat thuis ook kon. Maar ik zag zijn gezicht. Sinds zijn afscheid bij de gemeente was hij stiller geworden. Hij zat soms uren in de schuur, zogenaamd met zijn gereedschap bezig. Laatst vond ik hem daar op een krukje, zonder iets in zijn handen. Hij staarde naar de muur.
Toch pakte ik mijn telefoon en belde Ans.
Ze nam vrolijk op. “Nou, ik neem aan dat jullie de grote slaapkamer weer willen? Kees heeft al gekeken naar een extra parasol.”
Mijn keel kneep dicht. “Ans, Willem wil misschien niet twee weken.”
Het bleef een paar tellen stil.
“Niet twee weken?” vroeg ze.
“Hij vindt het allemaal wat veel. Misschien een week. Of dit jaar overslaan.”
Ik hoorde Kees op de achtergrond vragen wat er was. Ans dempte haar telefoon niet eens.
“Willem wil blijkbaar liever alleen zijn,” zei ze, met een stem die ineens koud klonk.
“Zo bedoelt hij het niet.”
“Hoe dan wel, Marjan? We hebben betaald. We hebben rekening gehouden met jullie. En nu, ineens, zijn wij te veel?”
Ik voelde mijn wangen branden. “Nee, jullie zijn niet te veel.”
Maar ergens dacht ik: soms wel.
Die avond kwamen ze langs. Niet omdat we dat hadden afgesproken, maar omdat Kees vond dat dit ‘niet over de telefoon moest’. Ans ging op onze bank zitten zonder haar jas uit te doen. Willem bleef staan bij het raam, zijn armen over elkaar.
“Je had dit eerder kunnen zeggen,” zei Kees.
“Ik wist het eerder niet,” antwoordde Willem.
“Onzin. Je zit al maanden zo stil te doen.”
“Misschien had je dan eens moeten vragen waarom.”
Dat was het moment waarop de kamer veranderde. Ans trok wit weg. Ik zag haar vingers om haar tas klemmen. Kees keek alsof Willem hem een klap had gegeven.
Ik sprong ertussen, laf misschien. “We hoeven hier toch geen oorlog van te maken?”
Ans keek naar míj. Haar ogen waren nat.
“Voor jou is dit toch ook belangrijk?” vroeg ze. “Wat hebben wij straks nog, Marjan? De kinderen hebben hun eigen leven. Jij weet dat ik niet veel mensen heb.”
En daar zat mijn echte angst. Niet dat we geld zouden kwijtraken aan dat voorschot. Niet eens dat Ans boos zou blijven. Ik was bang voor de lege zaterdagen. Voor geen berichtjes over aanbiedingen bij de supermarkt, geen gezamenlijke koffie, geen iemand die vanzelf wist hoe mijn moeder was geweest.
Maar Willem ging die nacht op de logeerkamer slapen. Niet uit boosheid. Hij zei alleen: “Ik kan niet nog een jaar doen alsof jouw geruststelling belangrijker is dan mijn ademruimte.”
De volgende ochtend heb ik Kees een bericht gestuurd. Dat we niet meegaan zoals gepland. Dat we het voorschot vergoeden als zij geen andere mensen vinden. Dat ik hoopte dat we elkaar niet kwijt zouden raken, maar dat Willem niet kapot hoefde om onze vriendschap intact te houden.
Ans heeft nog niet geantwoord.
Ik mis haar nu al. En ik ben ook opgelucht, wat misschien het ergste is.
Heb je na veertig jaar vriendschap het recht om de regels te veranderen? Of laat je iemand in de steek zodra je eindelijk voor jezelf kiest?