Toen ik stopte met regelen, leek het alsof ik in ons dorp ineens minder waard was

Ik wist pas hoe moe ik ervan was toen ik een appje kreeg over de nieuwjaarsborrel terwijl het nog oktober was.

“Jij doet toch weer de hapjeslijst, Marjan?” stond er in onze groepsapp. Daarachter drie duimpjes omhoog, nog voordat ik iets had gezegd.

Ik zat aan de keukentafel met een koude kop koffie naast me en mijn agenda open. Niet omdat ik iets moest plannen, maar omdat ik eindelijk eens wilde kijken welke dagen nog leeg waren. Gewoon leeg. Geen vergadering, geen koffieochtend waar ik eerst boodschappen voor moest doen, geen rondje langs de slager omdat Henk geen varkensvlees eet en Liesbeth sinds kort glutenvrij probeert te eten.

Ik ben 63, sinds twee jaar met pensioen, en ik had eerlijk gezegd gedacht dat ik daar enorm van zou genieten. Ik heb 34 jaar op de administratie van een installatiebedrijf gewerkt. Altijd lijstjes, deadlines, telefoontjes. Toen ik stopte, zeiden mensen: “Nou Marjan, nu ga je zeker niet stilzitten.” Alsof stilzitten iets ergs is.

Mijn man Koos ging na zijn pensioen vrijwel meteen helemaal op in de historische vereniging hier in Woudenberg. Hij maakt tentoonstellingen over oude boerderijen, zit in het bestuur en weet precies wie er vroeger waar woonde. Hij vindt dat prachtig, en dat gun ik hem ook echt. Hij komt thuis met vergeelde foto’s en verhalen over een verdwenen smederij, en dan glimmen zijn ogen nog steeds.

Via die vereniging, en via de buurt, kregen we een vaste kring. Acht stellen ongeveer, niet altijd allemaal tegelijk, maar wel de mensen die je op verjaardagen ziet, bij de barbecue in juni, de kerstborrel, soms een fietstocht. In het begin vond ik het gezellig om dingen te organiseren. Ik deed het ook makkelijk. Ik wist wie een grote partytent had, welke zaal in het dorpshuis betaalbaar was, wie je beter niet naast elkaar kon zetten omdat ze na twee glazen wijn over politiek begonnen.

Langzaam werd het mijn taak zonder dat iemand dat ooit zo uitsprak.

“Marjan weet dat wel.”

“Marjan, jij hebt vast nog servetten.”

“Zullen we het even bij Marjan neerleggen?”

Het gekke is: ik zei zelf ook zelden nee. Als iemand vroeg of ik de uitnodiging wilde maken, zei ik ja. Als de penningmeester van het koor geen tijd had om de boodschappen af te stemmen, deed ik het er wel bij. Ik voelde me nodig. En ik was ook bang dat het rommelig zou worden als ik het niet deed. Dat klinkt onaardig, maar vaak werd het ook rommelig.

Afgelopen zomer had ik na de jaarlijkse barbecue voor het eerst een soort inzinking, al is dat misschien een groot woord. Iedereen was om half twaalf weg. Koos hielp nog even de tafels inklappen, dat wel. Maar ik stond de volgende ochtend om negen uur plastic bekers uit de heg van het plantsoen te vissen, omdat ik het niet kon aanzien. Daarna zat ik thuis op de bank en kon ik nergens meer zin in opbrengen. Niet eens in televisie.

Koos zei: “Volgend jaar huren we gewoon iemand voor de afwas.”

Maar het ging mij niet om de afwas.

In september zei ik tegen hem dat ik een jaar niks meer wilde organiseren. Geen barbecue, geen kerstborrel, geen lijstjes, geen zaal reserveren. Hooguit ergens naartoe gaan als iemand anders het regelde. Ik zei het rustig, tijdens het schillen van sperziebonen.

Hij keek me aan alsof ik had gezegd dat we gingen verhuizen.

“Maar jij bént toch een beetje degene die alles bij elkaar houdt?”

Dat kwam harder aan dan hij bedoelde, denk ik.

Ik zei: “Dat is juist het probleem. Ik wil niet dat ik degene ben die alles bij elkaar houdt.”

Koos zuchtte en ging verder met zijn aardappels. Hij is geen man die snel ruzie maakt. Hij trekt zich eerder terug in praktische opmerkingen. “Je hoeft ook niet alles te doen. Maar een klein beetje helpen is toch iets anders.”

Dat ‘klein beetje’ ken ik inmiddels. Een klein beetje is de groepsapp aanmaken. Dan blijkt niemand te reageren en bel ik mensen na. Dan heeft iemand geen vervoer. Dan komt er gedoe over de kosten. Voor je het weet sta ik weer met een stift op een kartonnen bordje te schrijven waar de toiletten zijn.

Ik heb in de app toen gezegd dat ik dit jaar geen organisatie op me nam. Ik heb het nog vriendelijk geformuleerd, misschien wel te vriendelijk. Dat ik merkte dat ik behoefte had aan rust en graag gewoon deelnemer wilde zijn.

Er kwamen meteen reacties. “Natuurlijk, meid, je hebt ook al zoveel gedaan.” Dat schreef Anja. Maar daarna: “Wie pakt dan de kerst op?” En: “Zonder jouw overzicht wordt het wel lastig hoor.”

Liesbeth belde me de volgende dag. Ze zei dat ze het begreep, maar haar stem klonk al bezorgd voordat ze echt iets had gezegd. “We moeten wel een beetje de sfeer erin houden met elkaar. Anders verwatert het zo.”

Ik vroeg wat ze precies bedoelde.

“Nou ja, jij weet hoe het gaat. Iedereen is druk. Als niemand het oppakt, gebeurt er niks.”

Ik zei: “Dan gebeurt er misschien een keer niks.”

Daar bleef het even stil. Daarna zei ze: “Dat zou ik wel jammer vinden.”

Ik ook. Dat is het ingewikkelde. Ik wil niet dat alles verdwijnt. Ik houd van die mensen, of in elk geval van veel van hen. Ik houd van het geroezemoes in een zaaltje, van Koos die na twee biertjes veel te lang over een oud pand vertelt, van de schaal bitterballen die altijd te snel leeg is. Maar ik wil niet meer dat gezelligheid alleen kan bestaan als ik er vooraf drie dagen werk in steek.

Bij de eerstvolgende bijeenkomst van de historische vereniging voelde ik het heel duidelijk. Ik kwam binnen, zonder tas met naamstickers, zonder bloemstukje voor op tafel, alleen met mijn jas en mijn eigen portemonnee. Truus van de ledenadministratie zei lachend: “Wat heerlijk rustig voor jou zeker, nu jij niks hoeft te doen.”

Ze bedoelde het vriendelijk. Toch voelde ik mijn wangen warm worden, omdat het klonk alsof ik normaal gesproken niet echt aanwezig was, maar personeel.

Koos vond later dat ik er te veel achter zocht. Misschien heeft hij gelijk. Hij zei ook dat hij zich een beetje schaamt als mensen hem vragen hoe het met de kerstborrel zit en hij moet zeggen dat hij het niet weet. “Ze kijken dan naar mij alsof wij ons terugtrekken,” zei hij.

“Wij trekken ons niet terug,” zei ik. “Ík stop met regelen.”

“Maar in een dorp ligt dat niet zo netjes uit elkaar.”

Dat vond ik eigenlijk het eerlijkste wat hij gezegd had. In een dorp onthouden mensen niet precies wat je doet, maar wel dat je ineens anders bent dan daarvoor. En misschien vinden ze dat lastig omdat ze zelf ook bang zijn dat er dan iets van hen gevraagd wordt.

Uiteindelijk heeft Anja de kerstborrel georganiseerd, samen met haar dochter. Het was in een kleiner zaaltje dan anders. Er waren te weinig stoelen, de glühwein was lauw en om half negen bleek dat niemand aan muziek had gedacht. Ik heb de hele avond op mijn handen gezeten, bijna letterlijk. Twee keer wilde ik opstaan om iets te fixen. Een keer toen de glazen op waren, een keer toen iemand vroeg waar de vuilniszakken lagen.

Ik deed het niet.

Aan het eind zei Anja, zichtbaar moe: “Nou, volgende keer moet jij echt weer helpen hoor.” Ze lachte erbij, maar ik hoorde dat ze het meende.

Ik lachte ook. Niet omdat ik het grappig vond. Ik wist gewoon even niet wat ik anders moest doen.

Thuis hing Koos zijn jas op en zei hij dat het eigenlijk best een geslaagde avond was geweest. Daarna vroeg hij of ik thee wilde. We praatten niet meer over volgend jaar.

Mijn agenda voor januari is nog steeds opvallend leeg. Soms krijg ik daar een benauwd gevoel van. Soms zit ik op dinsdagmiddag met een boek bij het raam en denk ik: zo kan een middag dus ook zijn.

De barbecue voor komende zomer is nog niet ter sprake gekomen. Ik weet dat het gaat komen. Ik weet ook nog niet of ik dan weer nee kan zeggen.