Onze maandagavond verdween langzaam, en ineens leek ons huis ook ter discussie te staan
Ik heb nog steeds een mapje op mijn telefoon dat ‘maandag’ heet. Daarin staan foto’s van tafels die eigenlijk allemaal op elkaar lijken: een pan chili, schalen stokbrood, kaarten van Klaverjassen, Aad met zijn leesbril op zijn voorhoofd terwijl hij beweert dat hij echt niet vals speelt.
Zesentwintig jaar lang kwamen we bijna elke maandag bij elkaar. Eerst met acht volwassenen en een sliert kleine kinderen die boven sliepen, ruzie maakten om een Donald Duck of stiekem meeaten van de borrelnootjes. Later, toen de kinderen studeerden, samenwoonden of naar het buitenland gingen, bleven wij over. Zes mensen: mijn man Henk en ik, Aad en Marjan, en Kees en Yvonne.
Het was geen spectaculaire vriendschap. We gingen niet elk jaar met elkaar op vakantie en we vertelden ook niet allemaal onze diepste geheimen. Maar op maandag wist je waar je hoorde te zijn. De een kookte, de volgende deed het toetje. Om half zeven zaten we aan tafel. Na het eten een spelletje, meestal Rummikub of kaarten. Rond kwart voor elf gingen de jassen aan en werd er bij de voordeur nog tien minuten doorgepraat over niks bijzonders.
Sinds Henk met pensioen is, nu vier jaar, betekende die avond misschien nog wel meer. Hij mist zijn collega’s van de technische dienst meer dan hij toegeeft. Overdag rommelt hij graag in de schuur, maar soms loopt hij om vier uur al doelloos met de vuilnisbak naar buiten. Maandag gaf de week vorm.
Vorig voorjaar vertelden Kees en Yvonne dat ze hun huis in de wijk gingen verkopen.
Niet omdat het financieel niet ging. Juist niet. Het huis was afgelost, de kinderen waren uit huis, ze hadden een mooie overwaarde. Ze wilden ‘lichter leven’, zei Yvonne. Minder spullen, minder verplichtingen, minder plannen die al vaststaan voordat je wakker bent.
Ze hadden een plek gevonden in een tiny house-community bij een oud terrein buiten Apeldoorn. Er stonden daar een stuk of twaalf kleine woningen, met een gezamenlijke moestuin, deelauto’s en een grote schuur waar mensen konden koken of klussen.
Ik dacht eerst dat het zo’n bevlieging was. Kees had vroeger drie motoren gehad omdat hij er geen afstand van kon doen, en Yvonne bewaarde zelfs de tekeningen van de kinderen uit groep drie. Maar ze hadden het serieus aangepakt. Ze verkochten bijna alles. De eiken eettafel waarop we jaren hadden gegeten, de vitrinekast, hun caravan. Zelfs Kees’ gereedschapswand ging grotendeels weg.
Bij hun afscheidsdiner zei Aad: ‘Nou, als ik straks een courgette nodig heb, weet ik jullie te vinden.’ Iedereen lachte. Ik ook. Maar ik zag dat Yvonne even naar haar handen keek.
De eerste maanden bleven ze op maandag gewoon komen, al moesten ze dan veertig minuten rijden. Ze waren enthousiast op een manier die mij ook wat moe maakte. Over composttoiletten, een gezamenlijke accu, buren die op zondag zomaar soep komen brengen. Als ik vertelde dat ik eindelijk de gordijnen in de woonkamer had laten vervangen, zei Yvonne: ‘Wat fijn dat je daar blij van wordt,’ met zo’n glimlach waarvan ik niet wist of ik er iets achter moest zoeken.
Toen kwam het voorstel.
Ze vonden dat wij niet meer automatisch elke maandag bij elkaar moesten zitten. ‘Niet als kritiek hoor,’ zei Kees snel, want hij voelde waarschijnlijk al dat ik stil werd. ‘Maar het is ook een gewoonte geworden waar niemand meer naar kijkt. We kunnen toch af en toe op zaterdag hier komen? Wandelen, buiten koken. Zonder schema.’
Henk reageerde meteen veel positiever dan ik had verwacht. ‘Lijkt me hartstikke leuk. Beetje uit de sleur.’
Aad zei dat hij best eens wilde kijken, maar Marjan trok haar wenkbrauwen op. Zij zorgt twee middagen per week voor haar kleindochter en past vaak op als haar dochter avonddienst heeft. Voor haar was “spontaan” ongeveer hetzelfde als “lastig”.
Ik zei niet veel. Ik voelde me op dat moment kleinzielig. Wie ben ik om te zeggen dat mensen niet mogen veranderen? Kees en Yvonne waren gelukkig daar. Dat zag ik ook wel. Ze hadden kleur op hun wangen en praatten minder over kwaaltjes dan vroeger.
Maar thuis zei ik tegen Henk: ‘Waarom moet iets dat goed is ineens sleur heten?’
Hij stond de vaatwasser in te ruimen, veel harder dan nodig.
‘Omdat we misschien te veel zijn vastgeroest, Els.’
Dat kwam harder aan dan het had moeten doen. Alsof ik niet alleen voor de maandagavond stond, maar voor alles wat saai, veilig en oud was.
De zaterdag bij Kees en Yvonne was op zichzelf best gezellig. Het regende natuurlijk, dus van wandelen kwam weinig. We zaten met z’n zessen in hun gemeenschappelijke schuur op klapstoelen, met wollen dekens over onze knieën. Er was linzensoep uit een enorme pan. Kees was trots op een houten kastje dat hij zelf van oude pallets had gemaakt.
Alleen: er was nergens een plek waar je even rustig kon zitten. Mensen liepen in en uit. Een vrouw die ik niet kende kwam vragen of iemand haar kat had gezien. Twee jongens waren bezig met een boormachine. Yvonne leek dat juist heerlijk te vinden, dat alles door elkaar liep.
Om negen uur wilde ik naar huis. Niet omdat ik het vreselijk vond, maar omdat ik moe was en mijn eigen bank miste. Henk wilde nog blijven. Hij zat met Kees te praten over zonnepanelen en hoe weinig spullen je eigenlijk nodig hebt.
In de auto zei hij: ‘Je deed wel erg afstandelijk.’
Ik zei: ‘Ik heb drie uur lang op een klapstoel naar een lekkend dak gekeken, Henk.’
Dat was flauw, dat weet ik. Maar ik was boos omdat hij het niet snapte. Of misschien omdat hij het wel snapte en toch liever mee wilde.
Daarna werd de groep raar. Niet openlijk, maar in losse berichtjes en stiltes. Kees stuurde foto’s in onze WhatsApp-groep van een kampvuur op woensdagmiddag. Aad reageerde met duimpjes. Marjan niet. Zij en Aad begonnen weer vaker thuis te eten op maandag, maar dan zonder ons uit te nodigen. Ik kwam daarachter toen Marjan zich versprak aan de telefoon. Ze schaamde zich meteen en zei dat het niet persoonlijk was.
Misschien was het dat ook niet. Toch voelde het zo.
Henk stelde voor om ons huis kleiner te maken. Niet meteen verkopen, zei hij, maar eens rondkijken. Iets gelijkvloers, minder tuin. Hij had zelfs al op Funda gekeken naar appartementen in Zutphen.
Ik werd daar zó boos om dat ik een week nauwelijks met hem sprak. Niet omdat een appartement onmogelijk is. Ons huis is groot voor twee mensen. De trap wordt ook niet makkelijker. Maar ik wilde niet dat onze toekomst ineens een reactie werd op de keuze van Kees en Yvonne. Alsof wij moesten bewijzen dat we niet bang waren.
Uiteindelijk hebben we een afspraak gemaakt die kinderachtig klinkt voor mensen van buitenaf: één maandag per maand blijft van ons, gewoon bij iemand thuis, met eten en een spelletje. Daarnaast gaan we mee als er iets bij Kees en Yvonne wordt georganiseerd en het ons uitkomt. Geen verplichting.
Kees vond het jammer. Yvonne zei dat ze het begreep, maar ze keek teleurgesteld. Aad ging overal in mee. Marjan kwam alleen nog op de maandagen.
Vorige week zaten Henk en ik met z’n vieren aan onze eettafel. Aad had gehaktballen gemaakt en Marjan won met Rummikub, zoals altijd. Er viel vaker stilte dan vroeger. Niet ongemakkelijk precies, maar anders. Alsof er twee lege stoelen waren die niet alleen leeg waren omdat Kees en Yvonne er niet zaten.
Henk pakte na afloop mijn hand vast onder tafel. Dat deed hij vroeger nooit waar anderen bij waren.
‘Volgende maand gaan we toch naar die open dag bij hen?’ vroeg hij zacht.
Ik zei dat we wel zouden zien hoe het weer was.
Dat was geen eerlijk antwoord. Maar op dat moment was het het enige antwoord dat ik kon geven.