Mijn man wil zijn beste vriend ons pensioengeld lenen, maar ik zie onze oude dag langzaam verdwijnen
De offerte voor de traplift lag nog op de eettafel toen Henk zei dat we Kees misschien gewoon moesten helpen.
Alsof het over een paar honderd euro ging. Alsof ik niet al weken met een rekenmachine, drie mapjes en mijn eigen onrust aan diezelfde tafel zat.
Henk en ik zijn 63 en 61. Hij werkte tot vorig jaar bij een installatiebedrijf in Amersfoort, ik heb jarenlang in de salarisadministratie van een zorginstelling gewerkt. We zijn geen rijke mensen, maar we hebben het goed gedaan. Niet spectaculair. Gewoon elke maand wat opzijzetten, extra aflossen als het kon, geen caravan kopen omdat we ook met de tent naar Frankrijk konden, dat soort dingen.
Ons huis is bijna hypotheekvrij. We hadden een plan. De badkamer beneden verbouwen, omdat mijn knie de laatste jaren niet beter wordt. De drempels eruit. Misschien over twee jaar een elektrische fiets voor Henk, al doet hij alsof hij daar nog lang niet aan toe is. En we wilden voor de kleinkinderen allebei een spaarrekening openen waar we af en toe wat op konden zetten. Niet om ze later alles te geven, maar gewoon: rijbewijs, studie, een eerste kamer. Iets.
Kees hoort al veertig jaar bij ons leven. Hij was getuige bij ons huwelijk. Henk en hij zaten vroeger samen op zaalvoetbal, later gingen we met z’n vieren op vakantie met Kees en zijn toenmalige vrouw Marjan. Toen Marjan overleed, bijna twaalf jaar geleden, heeft Henk twee weken lang om de dag bij hem gegeten omdat Kees anders alleen een boterham met pindakaas nam.
Ik heb ook van Kees gehouden, op mijn manier. Hij is gul, grappig, hij onthoudt verjaardagen beter dan wijzelf. Hij stond met een aanhanger voor de deur toen onze oudste verhuisde naar Zwolle. Geen discussie, gewoon: ‘Waar moeten die dozen heen?’
Maar Kees kan niet met geld omgaan. Dat heb ik niet pas gisteren ontdekt.
Eerst was er dat horecazaakje waar hij in stapte met een vriend van vroeger. ‘Een gouden plek’, volgens Kees. Het kostte hem spaargeld. Daarna belegde hij in zonnepanelen via een constructie die ik nooit helemaal begrepen heb en die blijkbaar ook niet deugde. Vervolgens leende hij geld om een loods op te knappen die hij dacht te kunnen verhuren. Elke keer zei hij dat het tegenzat. En eerlijk is eerlijk: soms zat het ook tegen. Corona heeft hem bij die loods echt geraakt. Maar er was altijd weer een volgende beslissing waarbij ik dacht: waarom stop je niet?
Hij woont nog in het huis waar hij met Marjan woonde, een hoekwoning in Leusden. Veel te groot voor hem alleen, maar ik snap dat hij er niet weg wil. Marjan heeft de tegels in de keuken uitgezocht. Hun dochter heeft daar leren fietsen. Dat zijn geen kleine dingen.
Twee weken geleden kwam hij op een zondagmiddag langs. Henk had soep gemaakt, ik had broodjes afgebakken. Kees was stil, zelfs toen Henk begon over de wedstrijd van FC Utrecht. Hij zat met zijn jas nog aan op de bank en wreef steeds met zijn duim over de rand van zijn telefoon.
Uiteindelijk zei hij dat de bank zijn lening had opgezegd. Hij moest binnen korte tijd een achterstand en een deel van de zakelijke schuld oplossen, anders zou hij zijn huis moeten verkopen. Hij had al met een hypotheekadviseur gesproken, met zijn dochter ook, zei hij. Zijn dochter kon niet helpen; zij en haar man hadden net een huis gekocht en een baby.
Toen noemde hij het bedrag.
Vijfentachtigduizend euro.
Ik weet nog dat ik naar de damp van mijn soep keek. Die was inmiddels koud. Henk vroeg direct: ‘En als wij dat zouden doen, hoe zie je dat dan voor je?’
Kees zei dat hij over vijf jaar alles zou terugbetalen. Hij kon dan zijn loods verkopen of alsnog verhuren. Hij had een plan op papier. Hij zei het heel snel, alsof hij bang was dat wij hem zouden onderbreken.
Ik vroeg wat er gebeurde als die verkoop niet lukte.
Daar kreeg ik geen echt antwoord op. Alleen: ‘Dat gaat lukken, Elly. Ik móét wel.’
Toen hij weg was, zei Henk dat we in elk geval moesten uitzoeken wat mogelijk was. Ik zei dat uitzoeken iets anders is dan doen. Daar begon het eigenlijk.
Henk vindt dat ik Kees reduceer tot zijn slechte keuzes. Hij zegt dat je een vriend niet laat verzuipen als je zelf aan de kant staat met een reddingsboei. Ik snap dat beeld wel, maar ik blijf denken: wat als hij die reddingsboei al drie keer heeft weggegooid?
We hebben het geld niet zomaar op een rekening staan. Een deel zit in spaargeld, een deel in beleggingen die we dan op een ongunstig moment zouden moeten verkopen. En als wij dat bedrag uitlenen, kunnen de badkamer en de aanpassingen aan het huis niet door. Niet ‘even later’. Waarschijnlijk jaren niet. Misschien nooit, als een van ons zorg nodig heeft of als de energieprijzen weer oplopen of ons pensioen tegenvalt. Je weet het gewoon niet.
Ik heb Henk gevraagd of hij bereid zou zijn om onze eigen kinderen om geld te vragen als het misgaat met ons. Hij werd daar boos om. Niet hard, maar dat stille boze van hem. Hij ging de vaatwasser inruimen terwijl de vaatwasser al schoon was.
Vorige donderdag belde Kees zelf. Henk was boodschappen doen. Ik zag zijn naam en dacht nog: misschien belt hij om te zeggen dat hij iets anders heeft gevonden.
Hij vroeg of we al wisten wat we gingen doen.
Ik zei dat we erover praatten en dat ik wilde dat hij ook naar verkoop van zijn huis keek, hoe pijnlijk dat ook was. Misschien kleiner wonen, dichter bij zijn dochter. Misschien eerst duidelijkheid over al zijn schulden.
Toen bleef het even stil.
‘Dus jij vindt eigenlijk dat ik mijn huis maar moet opgeven,’ zei hij.
Ik zei dat ik vond dat wij niet de enigen konden zijn die de gevolgen van zijn beslissingen opvangen. Dat klonk harder dan ik het bedoeld had, maar het was wel waar.
Hij zei: ‘Na al die jaren had ik gedacht dat jullie zouden begrijpen dat ik niet om een gunst voor een vakantie vraag.’
Daarna zei hij iets wat ik nog steeds in mijn hoofd hoor: ‘Als dit blijkbaar de grens is van onze vriendschap, dan weet ik ook waar ik sta.’
Ik heb niet netjes gereageerd. Ik zei dat hij onze vriendschap niet als onderpand mocht gebruiken. Hij hing op.
Die avond kwam Henk thuis met twee tassen boodschappen en keek meteen naar mijn gezicht. Ik vertelde het. Hij zei eerst niets. Daarna zei hij dat Kees wanhopig was en dingen zei die hij niet zo bedoelde.
‘En ik dan?’ vroeg ik. ‘Mag ik ook wanhopig zijn over wat er met óns gebeurt?’
We hebben die nacht apart van elkaar beneden gezeten. Henk in zijn stoel met de televisie aan zonder dat hij keek. Ik aan tafel, opnieuw met die offerte voor de badkamer voor me.
Gisteren stuurde Kees een bericht. Geen excuses, geen bedrag, alleen dat hij met zijn dochter had gepraat en dat hij misschien tijdelijk nergens heen kon als de verkoop snel moest. Of hij dan eventueel een tijd bij ons zou kunnen wonen. ‘Tot ik weer wat op de rit heb’, schreef hij.
Henk las het bericht twee keer. Hij zei: ‘Dat kunnen we toch niet weigeren?’
Ik keek naar onze woonkamer, naar de stoel waar Kees altijd zit als hij komt eten, en ik voelde me vreselijk klein omdat mijn eerste gedachte niet medelijden was. Mijn eerste gedachte was dat die stoel dan niet meer tijdelijk bezet zou zijn.
We hebben nog geen antwoord gegeven. Henk wil morgen naar Kees toe, zonder mij, om te horen hoe ernstig het precies is. Misschien is dat beter. Misschien laf.
De traplift-offerte ligt inmiddels in een la. Ik heb hem daar zelf ingestopt, onder de folders van de zonnepanelen en een oude belastingaangifte. Alsof het probleem daardoor even niet bestaat.