Ik wilde onze vriendin niet uit huis zetten, maar ik kon niet meer ademhalen in mijn eigen woning
De brief van de gemeente lag drie dagen ongeopend op de fruitschaal. Niet omdat ik dacht dat het iets heel ergs was, maar omdat ik de laatste tijd van elke envelop met een logo al moe word. Wmo, zorgverzekering, bank, pensioenfonds, het houdt allemaal niet op als je ouder wordt.
Het ging om Ans. Over een keukentafelgesprek voor mogelijke ondersteuning thuis.
Toen ik zei dat er een afspraakvoorstel lag, keek Ans me aan alsof ik haar iets had afgepakt.
“Dus jullie zijn er toch al mee bezig,” zei ze.
Marijke stond bij het aanrecht met haar rug naar ons toe. Ze droogde een bord af dat al droog was.
Ans kennen we sinds 1987. Marijke werkte toen in de bibliotheek in Hoorn en Ans kwam daar op woensdagmiddag helpen met boeken kaften. Ik kende haar eerst vooral van verjaardagen, van haar harde lach en haar gewoonte om altijd een pak stroopwafels mee te nemen, ook als er al taart was. Later gingen we met z’n drieën wandelen, een paar keer naar Texel, en na mijn VUT dronken we geregeld koffie bij haar in Purmerend.
Ze heeft nooit een partner gehad, geen kinderen. Ze zei altijd dat ze daar prima mee was. Misschien was ze dat ook. Maar toen haar geheugen slechter werd, zag je wel hoe alleen iemand dan ineens kan zijn.
Eerst waren het kleine dingen. Ze belde Marijke omdat ze niet meer wist of ze haar medicijnen al had ingenomen. Ze had een pan droog laten koken. Een keer was ze met de bus naar Alkmaar gegaan terwijl ze naar het ziekenhuis in Hoorn moest. Niet gevaarlijk afgelopen, gelukkig, maar ze raakte in paniek en een conducteur heeft haar geholpen.
Haar huurwoning was op zich netjes, maar een portiekwoning op twee hoog. Smalle trap, douche met een hoge instap. Met alleen AOW en een klein pensioentje had ze weinig ruimte. Ze kreeg huurtoeslag, maar zodra er iets kapotging of haar eigen risico eraan kwam, was het stress. Een particuliere zorgwoning kon ze al helemaal vergeten.
Wij wonen ruim. Oud huis aan de rand van een dorp, ooit gekocht toen huizen nog geen bedragen kostten waar je misselijk van wordt. De kinderen zijn al jaren het huis uit. Boven stonden twee kamers vol oude spullen, een logeerbed en dozen waarvan je denkt: dit zoek ik ooit uit.
Marijke zei op een avond: “Waarom komt Ans niet gewoon hier wonen?”
Ik vond het toen geen gek idee. Ik was vooral opgelucht dat er een oplossing leek die niet betekende dat Ans ergens terechtkwam waar ze niemand kende. Ze was doodsbang voor een verpleeghuis. Alleen al het woord maakte haar stil.
We hebben de logeerkamer opgeknapt. Nieuwe vloerbedekking, beugels in de badkamer, een bed dat wat hoger stond. Ans verkocht haar meubels grotendeels via Marktplaats, zegde de huur op en schreef zich bij ons in. Ze betaalde een bijdrage voor boodschappen en energie. Niet veel. We wilden niet dat ze zich een kostganger voelde.
De eerste maanden waren eigenlijk warm. Ans fleurde op. Ze zat weer aan tafel in plaats van alleen met een boterham voor de televisie. Marijke en zij maakten soep, soms veel te zout omdat Ans steeds vergat dat ze al kruiden had toegevoegd. Ik deed de administratie, de afspraken en meestal het rijden.
Maar na de winter veranderde het. Of misschien veranderde ik, dat kan ook.
Ans stond steeds vroeger op. Ik kom graag beneden in stilte, zet koffie en lees de krant op mijn tablet. Sinds Ans hier woont, zit ze er vaak al. Dan heeft ze de radio aan op een zender die ik niet verdraag en vraagt ze drie keer wat we die dag gaan doen.
Ze begon zich ook met alles te bemoeien. Als mijn dochter Sophie kwam eten, vroeg Ans waarom ze zo weinig langskwam. Tegen mijn zoon zei ze dat hij echt eens naar zijn vader moest luisteren over zijn pensioen. Ze bedoelde het waarschijnlijk bezorgd, maar het was niet haar plaats.
Bij de kaartclub van Marijke had ze aan een paar vrouwen verteld dat wij “wel eens wilden kijken hoe lang het nog ging”. Marijke kreeg daarna appjes alsof wij Ans aan het lozen waren.
Het ergste was dat je haar niet gewoon boos kon aanspreken. Soms begreep ze het oprecht niet. Soms keek ze gekwetst en zei ze: “Ik probeer alleen mee te doen.” En dan voelde ik me meteen een hork.
Ik begon langer met de hond te lopen, hoewel mijn knie daar niet beter van werd. Ik bleef na de boodschappen soms in de auto zitten. Niet omdat ik Ans haatte. Juist dat maakte het zo naar. Ik gunde haar veiligheid. Alleen ik wilde ook niet de rest van mijn leven een soort dienstrooster zijn in mijn eigen huis.
Marijke zag dat anders. Zij zei: “Ze heeft ons nodig, Jan.”
“Dat weet ik. Maar wij hebben ook iets nodig.”
“Wat dan? Rust?”
Ja, rust. Blijkbaar klonk dat in haar oren als een luxeprobleem.
Een paar weken geleden heb ik gezegd dat we professionele thuiszorg moesten aanvragen. Misschien dagbesteding, iemand die haar helpt met douchen en medicatie. En dat we tegelijk moesten informeren naar een gelijkvloerse seniorenwoning of een woonzorgplek, voor als samenwonen echt niet meer ging.
Toen werd Marijke heel stil. Dat is bij haar erger dan wanneer ze schreeuwt.
Die avond vertelde ze me iets wat ze al een jaar had moeten vertellen. Voordat Ans bij ons kwam wonen, toen ik een weekend met mijn broer in Drenthe was, had Marijke tegen haar gezegd: “Je hoeft nooit meer bang te zijn dat je weg moet. Je kunt bij ons blijven zolang je leeft.”
Zo had Ans het onthouden. En eerlijk gezegd: zo had Marijke het ook bedoeld.
Ik was woest. Niet alleen om die woorden, maar omdat ze wist dat ik nooit met zo’n belofte had ingestemd. Ze zei dat ze bang was geweest dat ik anders nee zou zeggen. Misschien had ik dat ook gedaan. Ik weet het niet.
Juridisch is het huis van ons. Ans heeft geen huurcontract. De maatschappelijk werker die we telefonisch spraken, zei voorzichtig dat we goed moesten kijken naar wat haalbaar is voor iedereen en dat er geen snelle woonoplossingen bestaan. Alsof we dat niet wisten. Voor een passende sociale huurwoning kun je lang wachten, en met dementie word je niet zomaar ergens geplaatst omdat drie mensen het thuis ingewikkeld vinden.
Maar juridisch gelijk hebben voelt hier bijna vies. Ans zit beneden met haar fotoalbums en haar medicijnen in een bakje. Ze heeft haar oude huis opgegeven omdat wij zeiden dat ze bij ons veilig was. Dat is geen contract misschien, maar het is wel iets.
Tegelijk ben ik 71. Marijke is 69. We hebben geen onbeperkte energie en ook geen zorgopleiding. Zij slaapt slecht omdat Ans ’s nachts soms denkt dat ze naar haar werk moet. Ik slaap slecht omdat ik bang ben dat Marijke eraan onderdoor gaat, terwijl ze blijft doen alsof het wel meevalt.
Morgen komt iemand van het wijkteam langs. Ans weet dat. Ze heeft vanmiddag haar nette blauwe vest klaargelegd, alsof ze op sollicitatiegesprek moet. Toen ik vroeg of ze zenuwachtig was, zei ze: “Ik wil gewoon weten of ik hier mag blijven.”
Ik heb gezegd dat niemand haar morgen ergens heen stuurt. Dat is waar.
Daarna vroeg ze of ik nog koffie wilde. Ik zei ja, terwijl ik eigenlijk al te veel had gehad. Ze zette het apparaat verkeerd aan en er liep water naast het filter. We hebben samen het aanrecht drooggedaan. Marijke stond in de deuropening en zei niets.