Na veertig jaar vriendschap werd onze maandelijkse etentjes ineens iets waar we ruzie over kregen
Ik mis de avonden waarop we ruzie maakten over onbenullige dingen. Of je aardappels wel of niet vooraf kunt koken voor een gratin. Of Theo de wijn te koud had gezet. Of Henk weer eens te veel nootmuskaat in de gehaktballen had gedaan.
We zijn nu 67 en 68, mijn man Theo en ik. Henk en Marijke kennen we sinds 1983, van de buurt waar we allebei net waren komen wonen. Onze kinderen speelden in dezelfde zandbak, later op hetzelfde voetbalveld. We hebben elkaars verhuizingen gedaan, begrafenissen van ouders bijgewoond, huwelijken van kinderen, een scheiding van een zus van Marijke waar iedereen zich ongemakkelijk mee bemoeide. Alles eigenlijk.
Al meer dan twintig jaar hadden we onze vaste eetavond. Eén keer per maand, om beurten bij elkaar. Niet chic, maar wel uitgebreid. Eerst koffie met iets erbij, dan uren tafelen. We begonnen meestal rond half zes en voor je het wist was het half één. De volgende dag waren we brak van twee glazen wijn te veel en zeiden we dat we het voortaan rustiger aan zouden doen.
Toen Henk vorig voorjaar steeds vaker dingen vergat, maakten we er eerst nog grapjes over. Hij kon midden in een verhaal stoppen en zeggen: “Nou ja, dat weet ik dus niet meer.” Dan keek hij zelf ook een beetje verbaasd.
Later vergat hij dat Theo geen melk in zijn koffie drinkt. Dat is geen drama, natuurlijk. Maar op een avond was hij de oven vergeten uit te zetten. Marijke had de lasagne al op tafel gezet en hij liep ineens naar de keuken, alsof hij daar iets hoorde. Hij stond daar met zijn hand op de ovendeur en keek ons aan alsof híj bij ons op bezoek was.
“Waar is de wc ook alweer?” vroeg hij.
Hij heeft bij ons thuis al ik weet niet hoe vaak op de wc gezeten.
Marijke zei die avond bijna niets. Ze ruimde te snel af en bleef maar vragen of we nog koffie wilden, terwijl het koffiezetapparaat al half leeg en koud op het aanrecht stond. Toen Theo en ik naar huis fietsten, zei hij: “Dit is niet goed.”
Ik wist wat hij bedoelde, maar ik wilde het nog niet zo noemen.
De diagnose kwam in augustus. Beginnende Alzheimer. De huisarts had hen doorverwezen naar de geheugenpoli in het ziekenhuis in Amersfoort. Marijke belde me na het gesprek. Ik hoorde aan haar ademhaling dat ze in de auto zat, waarschijnlijk ergens op een parkeerplaats, omdat ze thuis niet wilde dat Henk het hoorde.
“Ze zeggen dat we moeten kijken wat nog wél kan,” zei ze. “Ik word zo kwaad van die zin. Alsof ik daar iets aan heb.”
Vanaf dat moment veranderde er van alles zonder dat iemand dat officieel uitsprak. Onze etentjes werden korter. Henk raakte onrustig als het donker werd en wilde soms om acht uur naar huis. Of hij zei juist drie keer dat hij nog wel een borrel lustte, terwijl hij na de tweede al slomer werd.
Marijke begon vaker te bellen. Eerst voor iets kleins. Of ik mee wilde denken over een brief van de bank. Of Theo Henk een keer naar de kapper kon brengen, omdat Henk boos werd als Marijke zei dat zijn haar te lang werd. Daarna ging het sneller.
“Zou jij dinsdag met hem naar de neuroloog kunnen? Ik moet die ochtend met mijn kleindochter naar de orthodontist.”
Of: “Theo, zou jij misschien even naar de schuur kunnen kijken? Henk is daar met de zekeringkast bezig geweest en ik vertrouw het niet.”
Theo hielp. Natuurlijk hielp hij. Hij heeft een plank opgehangen zodat Henk niet meer op een gammel trapje hoefde te staan. Hij heeft hem twee keer meegenomen naar de supermarkt, gewoon omdat Henk er even uit moest. Maar na een paar maanden zag ik Theo dichtklappen als mijn telefoon ging.
Niet omdat hij niet om Henk gaf. Juist daarom, denk ik. Hij kwam thuis van zo’n afspraak en was stil. Dan ging hij in de tuin zitten, zelfs als het koud was.
Op een zondag zei hij: “Saskia, dit gaat niet meer om af en toe iets doen.”
Ik stond spruitjes schoon te maken. Echt zo’n stom detail dat ik nog precies weet.
“Wat bedoel je?” vroeg ik.
“Wij worden erin gezogen. En Marijke heeft familie. Twee zoons. Er is thuiszorg, er is de casemanager, er zijn regelingen. Wij zijn hun vrienden. Dat moet ook iets mogen betekenen zonder dat wij een rooster worden.”
Ik werd meteen boos. Misschien omdat ik wist dat hij niet helemaal ongelijk had.
“Die zoons wonen allebei ver weg en hebben banen. En die hulp moet je allemaal zelf regelen. Je weet toch hoe dat gaat? Je bent maanden bezig met bellen en formulieren.”
Theo legde zijn mes neer. “Ik zeg niet dat we niks moeten doen. Ik zeg dat we niet alles kunnen opvangen wat daar ontbreekt.”
Daarna praatten we er een paar dagen nauwelijks over. Niet echt ruzie, meer van die korte zinnen over de boodschappen en wie de container buiten zet. Dat vind ik soms erger.
De druppel kwam toen Marijke me op een woensdagmiddag belde. Henk had die ochtend in zijn pyjama buiten gestaan. Niet ver, alleen bij het plantsoen, maar hij wist niet meer welk huis van hem was. Een buurvrouw had hem teruggebracht.
Marijke huilde niet eens. Ze klonk leeg.
“Ik moet gewoon eens slapen,” zei ze. “Eén nacht zonder dat ik elk geluid hoor.”
Via via wist ik van een vrouw uit het dorp, Nadia, die als particuliere hulp werkte en ook gezelschap en lichte ondersteuning deed. Geen medische zorg, maar wel koken, even wandelen, in huis zijn zodat iemand boodschappen kon doen of naar de kapper. Ik heb haar gebeld. Ze kon twee middagen per week beginnen.
Toen kwam het geld. Marijke zei meteen dat ze het niet kon betalen, althans niet structureel. Ze waren nooit mensen met veel spaargeld geweest. Henk had na zijn vroege pensioen nog wat geklust, maar daar was al langer niets meer van over.
Theo en ik hadden een potje voor een reis naar Portugal. Niets definitief geboekt, maar we hadden er al zo vaak over gepraat. Een huisje aan de Algarve, in april, voordat het te warm werd.
Ik heb Nadia voor drie maanden betaald. Uit dat potje.
Ik vertelde het Theo die avond na het eten. Eigenlijk wist ik al dat het fout was dat ik het pas toen zei. Maar als ik het vooraf had gevraagd, had hij nee gezegd. Daar was ik van overtuigd.
Hij keek me aan alsof ik hem iets heel vreemds vertelde.
“Hoeveel?” vroeg hij.
Ik zei het bedrag.
Hij werd niet hard. Hij werd juist heel rustig, en daar schrok ik meer van.
“Dus jij hebt besloten dat onze vakantie minder belangrijk is dan dit?”
“Nee,” zei ik. “Ik heb besloten dat Marijke niet alleen hoeft te verzuipen.”
“En wie beslist wanneer het stopt? Jij?”
Ik zei dat het maar voor drie maanden was. Hij zei dat dementie niet na drie maanden voorbij was. Dat wist ik natuurlijk ook wel. Het was een gemene opmerking, maar niet onwaar.
We hebben die avond apart televisie gekeken. Hij in de woonkamer, ik boven in bed met mijn telefoon, terwijl ik deed alsof ik berichten las. Marijke stuurde later een foto van Henk en Nadia aan de keukentafel. Ze waren samen aan het kaarten. Henk had een enorme glimlach op zijn gezicht. Ik moest daar om huilen en ik was tegelijk kwaad dat die foto me zo raakte.
Nadia komt nu zes weken. Marijke zegt dat ze soms weer een uur kan wandelen zonder steeds naar haar telefoon te kijken. Henk kent Nadia niet altijd bij naam, maar hij lijkt haar aardig te vinden. Dat is voorlopig genoeg.
Theo praat weer gewoon tegen me, maar er zit iets stroefs onder. Hij heeft vorige week gezegd dat hij niet nog een keer voor een voldongen feit wil staan. Daar heb ik ja op gezegd. Ik meen het ook. Alleen weet ik niet wat ik doe als Marijke straks weer belt en zegt dat ze het niet redt.
Portugal hebben we niet geboekt. Misschien gaan we een paar dagen naar Texel in het najaar, als het lukt. Theo kijkt soms al naar hotels, wat ik zie aan de zoekgeschiedenis op de tablet.
Volgende maand zijn wij aan de beurt met eten. Ik heb Marijke gevraagd of ze wil komen, ook als Henk na een uur weer naar huis wil. Ze zei dat ze het nog niet weet.
Ik heb toch al een ovenschotel in gedachten. Niet te ingewikkeld. En geen nootmuskaat, want daar had Henk altijd commentaar op.