Mijn vrouw heeft ons pensioen gevuld met vrienden, en ik weet niet meer waar ik zelf nog pas

Ik had nooit gedacht dat stilte iets zou worden waar ik om moest vechten.

Ik ben 67, sinds drie jaar met pensioen, en mijn vrouw Marijke is 64. We zijn vanuit Amersfoort verhuisd naar een appartement aan de rand van Deventer, vooral omdat onze dochter met haar gezin hier in de buurt woont. Geen enorme sprong naar de andere kant van het land, maar wel ver genoeg dat we ons oude leven niet zomaar konden voortzetten. Ik zag daar eerlijk gezegd tegenop. Marijke juist niet. Zij liep binnen een maand bij een wandelgroep, een leesclub in de bibliotheek en iets dat begon als koffie met drie vrouwen uit het complex.

Dat laatste is uitgegroeid tot een vaste club van tien, soms twaalf mensen. Niet allemaal even hecht met elkaar, denk ik, maar Marijke kent iedereen. Zij weet wie last heeft van zijn knie, wie een dochter heeft die gaat scheiden, wie geen auto meer durft te rijden in het donker. Als iemand jarig is, is Marijke de eerste met een kaart en een bos tulpen. Als er iemand uit het ziekenhuis komt, stelt zij in de groepsapp voor om een maaltijdrooster te maken.

Ik bewonder haar daar ook om. Echt. In het begin was ik er trots op dat zij zo makkelijk contact maakte. Ik ben nooit degene geweest die een kamer binnenloopt en binnen vijf minuten met iedereen praat. Ik werkte vroeger als technisch tekenaar bij een installatiebedrijf. Ik kon prima met collega’s overweg, maar na een werkdag wilde ik naar huis, een bord eten en misschien een beetje rommelen in de schuur. Nu hebben we geen schuur meer, alleen een berging waar ik mijn gereedschap nauwelijks kwijt kan.

De eerste tijd deed ik gewoon mee. Vrijdagavond bij Henk en Els eten. Zondag wandelen bij de IJssel. Woensdagmiddag koffie na de markt. Het waren aardige mensen. Nog steeds. Henk kan verschrikkelijk droog uit de hoek komen en Els maakt altijd te veel eten. Bram en Yvonne zijn wat luidruchtig, maar goedhartig. Ik heb met niemand ruzie.

Alleen werd het steeds minder vrijblijvend.

Als we op maandag niets in de agenda hadden, kwam er vaak rond elf uur een berichtje: ‘Wie heeft zin om vanmiddag even naar Intratuin te gaan?’ Of: ‘Piet voelt zich wat alleen sinds zijn operatie, zullen we vanavond soep brengen?’ Marijke antwoordde bijna altijd meteen. Daarna keek ze mij aan alsof het logisch was dat wij samen gingen.

Ik zei dan soms dat zij gerust alleen kon gaan. Dat mocht ook wel, zei ze. Maar dan voelde het alsof ik haar in de steek liet, vooral omdat ze tegen de anderen blijkbaar vaak zei: ‘Kees en ik komen wel even.’

Dat ontdekte ik pas toen Yvonne mij in de supermarkt aansprak. ‘Wat jammer dat je zaterdag niet mee kon naar Zutphen, Kees. Marijke zei dat je migraine had.’

Ik had geen migraine. Ik had die zaterdag thuis willen blijven omdat ik de hele week al op pad was geweest. Ik zei niets tegen Yvonne, want wat moest ik daar nou zeggen? Dat mijn vrouw een smoes voor mij verzon omdat ze het gênant vond dat ik niet mee wilde?

Thuis heb ik het wel genoemd. Marijke stond aardappels te schillen en zei dat ze mij niet wilde neerzetten als een ongezellige man.

‘Maar ik bén niet ongezellig,’ zei ik.

‘Dat zeg ik ook niet. Alleen, jij zegt zo vaak af de laatste tijd.’

‘Omdat er zo vaak iets is.’

Ze legde het mes neer. ‘Je hoeft niet overal een probleem van te maken, Kees.’

Daar bleef het toen bij. Zulke gesprekken lopen bij ons vaak dood. Niet met geschreeuw of deuren slaan. Eerder doordat zij verdergaat met koken en ik de krant pak zonder er echt iets van te lezen.

Wat mij het meeste raakt, en dat klinkt misschien kinderachtig op mijn leeftijd, is dat ik Marijke bijna nooit meer alleen heb. Als we samen op het balkon zitten, piept haar telefoon. Als we naar onze dochter gaan, bespreekt ze onderweg wie er binnenkort nog eenzaam is of wie zij niet goed vindt reageren in de app. We hebben een keer een weekendje naar Schiermonnikoog gedaan. Zelfs daar zat ze op zaterdagavond foto’s te sturen van onze fietstocht, omdat Els had gevraagd hoe het weer was.

Ik zei: ‘Kunnen we nou één avond niet met de club bezig zijn?’

Marijke keek alsof ik haar had beledigd. ‘Ze vragen toch gewoon iets?’

Misschien is dat precies het verschil. Voor haar zijn het geen verplichtingen. Voor mij zijn het er honderd kleine, die samen als een zware jas voelen die ik niet uit mag.

Vorige maand kwam ze thuis met een mapje van de HEMA en een gezicht alsof ze een geweldig cadeau had gekregen. De vriendengroep bestaat vijf jaar, of eigenlijk: vijf jaar sinds die eerste koffie in de gezamenlijke tuin. Dat moest gevierd worden met een weekend in een gehuurd huis in de Achterhoek. Twee nachten, twaalf mensen, gezamenlijk koken, spellenavond, fietsen als het weer meezat.

Ik hoorde het aan en voelde mijn schouders al omhoog gaan.

Toen zei ze dat ze mij als mede-organisator had opgegeven. Ik zou de boodschappen en de indeling van de kamers doen, omdat ik ‘zo overzichtelijk’ ben. Bram had aangeboden om met mij de barbecue te regelen.

Ik weet nog dat ik naar dat mapje keek. Er zaten uitgeprinte menuvoorstellen in, en een lijst met wie welke allergie had. Ik zei niet eens hard. Ik zei alleen: ‘Nee, Marijke. Dit ga ik niet doen.’

Ze dacht eerst dat ik bedoelde dat ik geen boodschappen wilde doen.

‘Nee,’ herhaalde ik. ‘Ik ga niet mee. En ik ga ook niets organiseren.’

Ze werd bleek. Niet boos meteen. Eerder alsof ik op het laatste moment had gezegd dat ik ons huis verkocht had. Ze zei dat iedereen ervan uitging dat we kwamen. Dat zij al had gezegd dat ik de kamers zou indelen. Dat het belachelijk was om haar nu zo te laten zitten.

Ik zei dat het vooral belachelijk was dat zij mij aanmeldde zonder het te vragen.

Toen kwam het eruit. Ze zei dat ik niet begreep wat die mensen voor haar betekenden. Dat ze na de verhuizing bang was geweest om niemand te kennen. Dat ik genoeg had aan een boek, een fietstocht en af en toe onze kinderen, maar dat zij mensen nodig had. ‘Ik wil niet de rest van mijn leven alleen maar met jou op de bank zitten,’ zei ze.

Dat deed pijn, al snap ik ergens wat ze bedoelde. Ik wil ook niet dat ze alleen met mij op de bank zit. Ik wil alleen dat er nog iets overblijft dat van ons is, zonder een Doodle, een groepsapp of een rooster voor wie de salade maakt.

Ik heb gezegd dat ze gerust moet gaan. Echt. Ze kan gaan, ze kan organiseren, ze kan elke woensdag met iedereen lunchen als ze daar gelukkig van wordt. Maar ik wil niet meer doen alsof ik hetzelfde nodig heb.

Sindsdien is het ongemakkelijk. Ze heeft tegen de groep gezegd dat ik niet meega omdat ik ‘even mijn rust nodig heb’. Dat is tenminste geen migraine deze keer. Els stuurde mij apart een berichtje dat ze hoopte dat er niets aan de hand was. Ik heb teruggestuurd dat het lief was en dat ik gewoon thuisbleef.

Marijke gaat wel. Ze heeft de kamers nu samen met Yvonne ingedeeld. Gisteren hoorde ik haar in de keuken zeggen dat ze misschien toch nog iemand extra konden vragen, zodat er geen lege plek is. Niet boos, meer gehaast. Alsof ze een gat dicht moest lopen.

Ik weet niet of ik egoïstisch ben. Misschien had ik gewoon mee moeten gaan voor haar, twee dagen tanden op elkaar en daarna weer verder. Maar ik merk ook dat ik sinds ik nee heb gezegd voor het eerst in maanden een middag heb gehad waarop ik niet alvast dacht aan waar we daarna nog heen moesten.

Volgend weekend zit zij in de Achterhoek. Ik heb beloofd onze kleindochter Noor van hockey op te halen en ik wil daarna eindelijk die lekkende kraan in de bijkeuken van onze dochter bekijken. Zondag fiets ik misschien alleen langs de IJssel.

En maandag, vermoed ik, ligt er weer een lijstje op tafel met nieuwe plannen. Ik weet nog niet hoe ik daar dan naar ga kijken.