Mijn beste vriendin wil alleen nog bevriend zijn als ik leef zoals zij
‘Zet die schaal met hapjes maar weg, Marijke. Ik krijg hier gewoon onrust van.’
Anja stond in mijn keuken met haar jas nog aan. Buiten tikte de novemberregen tegen het raam. Op het aanrecht stonden blokjes oude kaas, leverworst van de slager en een fles wijn die Henk speciaal had gehaald. Elke vrijdag aten we met Anja en Kees. Al zesendertig jaar.
Henk keek van de eettafel op. ‘Het zijn kaasblokjes, Anja. Geen misdaad.’
Ze kneep haar lippen op elkaar. ‘Dat jij het belachelijk maakt, zegt genoeg.’
Ik voelde meteen die bekende druk achter mijn borstbeen. Vroeger lachten we om alles. Om Kees die op de camping altijd zijn leesbril kwijt was. Om onze mislukte poging om samen te gaan golfen. We vierden verjaardagen, pasten op elkaars kinderen toen die nog klein waren, en gingen ieder voorjaar een week naar Zeeland. Zij waren niet gewoon vrienden. Ze waren familie die je zelf kiest.
Maar sinds afgelopen zomer was Anja veranderd.
Ze had een documentaire gezien over verspilling, vertelde ze. Daarna verkocht ze haar sieraden, gaf ze dozen kleding weg en liet ze de helft van haar servies naar de kringloop brengen. Kees mocht van haar nog maar één kast gebruiken. Hij zei daar weinig over, behalve dat hij opeens altijd een trui aanhad omdat de verwarming ‘uit principe’ op zestien graden stond.
In het begin bewonderde ik haar. Anja kon heel vastberaden zijn. Ze zei dat ze eindelijk ruimte voelde in haar hoofd. Dat ze niet langer wilde doen alsof geluk in volle boodschappenkarren en verre vakanties zat.
‘Ik ben trots op je,’ had ik gezegd.
Dat meende ik ook.
Alleen begon ze daarna mij berichten te sturen. Of ik geen nieuwe laarzen wilde kopen. Of we onze etentjes niet konden vervangen door een wandeling met thermoskoffie. Of ik tijdens onze vakantie niet wilde afzien van een restaurant, omdat “luxe alleen bestaat doordat anderen tekortkomen”.
Ik ging mee, eerst voorzichtig. Ik nam mijn eigen brood mee naar de markt. Ik zei tegen Henk dat we best minder konden bestellen. Maar hij werd stiller bij elke aanpassing.
‘Ze mag doen wat ze wil,’ zei hij op een avond terwijl hij de vaatwasser inruimde. ‘Maar waarom moet ik ineens schuld voelen omdat ik na veertig jaar werken een glas rode wijn wil drinken?’
‘Anja probeert iets te veranderen.’
‘Aan haar leven, prima. Niet aan het mijne.’
Die vrijdag in de keuken keek Anja langs me heen naar onze woonkamer. Naar de leren bank die we kochten toen Henk met vervroegd pensioen ging. Naar mijn boekenkast, de lamp van mijn moeder, de foto’s van onze kleinkinderen op het dressoir.
‘Ik kan hier niet meer zitten,’ zei ze zacht. ‘Alles schreeuwt hier om meer.’
Dat kwam harder aan dan ik wilde toegeven.
‘Dit is ons huis,’ zei ik.
‘Ik weet het. En ik oordeel niet over jullie als mensen, Marijke. Maar ik kan niet doen alsof dit normaal is. Als we vriendinnen willen blijven, moeten we eerlijk zijn over wat we in stand houden.’
Henk schoof zijn stoel naar achteren. Het geluid over de tegels liet me schrikken.
‘Nee,’ zei hij. ‘Jij wilt dat wij gaan leven volgens jouw regels. Dat is geen eerlijkheid, dat is dwang met een vriendelijk sausje.’
Kees zat er al die tijd bij met zijn handen om een koud kopje koffie. Hij keek niet op. ‘Anja bedoelt het niet zo,’ mompelde hij.
‘Maar zo voelt het wel,’ zei ik. Mijn stem trilde, heel irritant. ‘Je zegt eigenlijk dat je alleen bij me op bezoek komt als ik mijn huis, mijn gewoontes en misschien straks mezelf aanpas.’
Anja kreeg rode vlekken in haar hals. ‘Ik vraag je om naast me te staan.’
‘Ik sta al mijn hele leven naast je,’ zei ik. ‘Toen je moeder stierf. Toen Kees zijn baan verloor. Toen jij drie maanden nauwelijks uit bed kwam. Maar naast je staan is toch niet hetzelfde als achter je aan lopen?’
Toen werd het stil. Zo stil dat ik de koelkast hoorde aanslaan.
Ze gingen na tien minuten weg. Geen kus op mijn wang, geen afspraak voor volgende week. Kees keek me bij de voordeur even aan. Zijn ogen waren vochtig, maar hij zei niets. Dat vond ik misschien nog het ergste.
Sindsdien heeft Anja niet gebeld. Ik mis haar elke dag, soms op de gekste momenten. Bij een aanbieding in de supermarkt, als ik weet dat zij zou zeggen dat ik het niet nodig heb. Wanneer ik langs de duinen rijd en denk aan onze vakanties.
Maar ik kijk ook naar Henk, die weer wat lichter praat nu de vrijdagavond niet meer als een examen voelt. En dan schaam ik me bijna voor mijn twijfel. Moet ik mijn huwelijk onder druk zetten om een vriendschap te bewijzen?
Misschien is echte vriendschap elkaar ruimte geven, ook als je elkaars keuzes niet begrijpt. Of ben ik laf omdat ik Anja niet volg in wat voor haar zo belangrijk is?