Sinds we met pensioen zijn, voelt de vriendschap met Marijke soms meer als een rooster dan als gezelligheid

Ik merkte het pas toen ik op een zaterdagochtend mijn schilderspullen uit de berging wilde pakken en mijn ezel onder een stapel boodschappentassen stond. Niet eens onze eigen tassen. Van Marijke.

Ze had de avond ervoor gebeld. Of Kees haar zaterdag vroeg even naar het ziekenhuis in Alkmaar kon brengen, want ze had een controle bij de longarts en ze zag ertegenop om alleen te gaan. Natuurlijk zei hij ja. Dat doet Kees altijd eerst, nadenken komt later. Daarna vroeg ze of we na afloop nog langs de supermarkt wilden, omdat ze toch geen auto meer had sinds ze die vorig jaar verkocht. En of ze dan misschien bij ons kon eten, want alleen koken na zo’n afspraak vond ze zo ongezellig.

Het was inmiddels bijna half één toen ze weer bij ons binnenkwamen. Kees droeg haar tassen naar de keuken en Marijke ging aan tafel zitten alsof ze daar al woonde. Ik stond aardappels te schillen. Mijn verfspullen bleven waar ze lagen.

We zijn allebei 67. Kees werkte vroeger bij de gemeente, ik stond ruim dertig jaar voor de klas op een basisschool in Heerhugowaard. Toen we met pensioen gingen, waren we bang dat we in een gat zouden vallen. Dat viel juist mee. We gingen op dinsdag wandelen met een clubje uit het dorp, Kees werd vrijwilliger bij de jeu-de-boulesvereniging en ik ben weer gaan schilderen. Op vrijdag drinken we meestal koffie bij De Stier, met dezelfde mensen die we al jaren kennen van de straat, de tennis en vroeger de kinderen.

Marijke hoorde daar altijd bij. Ze is 66, weduwe sinds zes jaar. Haar man, Theo, was een rustige man die alles regelde zonder dat je het echt doorhad: de verzekeringen, de vakanties, de lamp die kapot was, de afspraak bij de garage. Marijke kon heel gezellig zijn, met dat harde lachen van haar en haar verhalen over vroeger in de winkel van haar ouders. Maar sinds Theo er niet meer is, lijkt haar wereld elk jaar een stukje kleiner te worden.

In het begin hielpen we graag. Ze had brieven laten liggen, dus ik ging een middag met haar door een map van de zorgverzekeraar en de gemeente. Kees hielp haar met DigiD, wat uiteindelijk neerkwam op drie keer een nieuwe code aanvragen omdat haar mobiele telefoon ergens onder een stapel folders lag. Daarna gingen we samen koffie drinken en moest ze zelf ook lachen om de chaos.

Toen dacht ik: dit is toch wat vrienden doen.

Alleen bleef het niet bij die ene middag. Er kwam een afspraak bij de huisarts, een lekke fietsband, een bericht van de bank dat ze niet vertrouwde. Ze belde mij ook steeds vaker met dingen die eigenlijk geen vraag waren. Dan zei ze: “Ik zit zo alleen vanavond,” en dan wist ik al dat ze hoopte dat wij zouden zeggen: kom eten.

Soms wilde ik dat ook echt. Maar ze belde ook als ik net met mijn zus aan de telefoon zat of als ik met een nat hoofd uit de douche kwam. Een keer belde ze om kwart voor acht ’s ochtends omdat haar waterkoker raar geluid maakte. Ik dacht dat er iets ernstigs aan de hand was. Bleek dat hij gewoon aan het koken was.

Kees vond dat ik het te zwaar maakte.

“Ze heeft niemand meer,” zei hij dan. “Haar zoon woont in Zwolle en die zie je bijna nooit.”

Dat wist ik natuurlijk ook. Ik voelde me daarna meteen kleinzielig. Alsof ik jaloers was op een eenzame vrouw omdat ze aandacht wilde.

Maar het begon onze hele week te bepalen. Op woensdag kwam ze standaard langs voor haar administratie, ook als er niets lag. Op donderdag wilde ze mee naar de markt. Zondagavond stuurde ze vaak al een appje: wat doen jullie volgend weekend? Niet als uitnodiging, meer alsof ze haar plek in onze agenda wilde vastzetten.

In onze vaste groep werd het ongemakkelijk. Als we met z’n allen gingen fietsen, vroeg Marijke van tevoren aan Kees of hij naast haar wilde rijden. Bij koffie schoof ze haar stoel steeds naast de mijne en vertelde ze, soms hardop, dat ze zonder ons niet wist hoe ze de week door moest komen. De anderen knikten dan meelevend. Niemand zei: misschien is dit wel veel voor hen.

Dat snap ik ook wel. Het is makkelijk om mee te leven als jij daarna naar huis gaat.

De echte ruzie, als je het zo kunt noemen, kwam niet eens door iets groots. We zouden een weekend naar Texel gaan. Twee nachten, een klein hotelletje in De Koog dat we van onze kinderen hadden gekregen voor ons veertigjarig huwelijk. Het stond al maanden gepland.

De dinsdag ervoor appte Marijke dat ze zaterdag naar een verjaardag in Purmerend moest en of Kees haar wilde brengen en ophalen, want met de bus was het ingewikkeld en ze wilde niet in het donker terug.

Kees antwoordde dat wij weg waren.

Nog geen minuut later belde ze mij.

“Maar dat wist ik niet,” zei ze.

“Volgens mij hebben we het er bij de koffie over gehad, Marijke.”

“Ja, misschien. Maar jullie gaan toch wel vaker weg? Ik heb dit nu al toegezegd.”

Ik stond in de bijkeuken met een mand wasgoed. Ik weet nog dat er een sok aan mijn hand bleef plakken door de statische elektriciteit. Heel stom dat je zulke dingen onthoudt.

Ik zei dat het me vervelend leek, maar dat we echt niet terugkwamen voor een verjaardag waar wij niet eens voor waren uitgenodigd.

Toen bleef het even stil.

“Dus ik moet het maar uitzoeken?” vroeg ze.

Dat was het moment waarop er iets in mij knapte. Niet spectaculair. Ik schreeuwde niet. Ik zei alleen: “Ja, Marijke. Soms moet je dingen zelf uitzoeken. Net als wij.”

Zodra ik had opgehangen, kreeg ik buikpijn. Kees keek me aan alsof ik iets breekbaars op de grond had laten vallen.

Op Texel was het eerst stroef tussen ons. Kees vond dat ik gelijk had in wat ik zei, maar niet in hoe. Daar kon ik hem moeilijk ongelijk in geven. Ik had ook boosheid van maanden in één zin gepropt. Tegelijkertijd was het voor het eerst in lange tijd dat ik op een terras zat zonder steeds op mijn telefoon te kijken of Marijke iets nodig had.

De maandag na onze terugkomst stelde ik voor om met haar te praten. Niet bij ons thuis, want daar liep het altijd uit op koffie, eten en nog een klusje. We spraken af bij De Stier, midden op de middag.

Ik zei dat we haar niet wilden laten vallen. Kees zei dat hij best af en toe mee wilde naar een belangrijke afspraak, maar niet standaard. Ik vertelde dat woensdagmiddag weer mijn schildermiddag werd en dat we in het weekend niet meer automatisch beschikbaar waren. Als we haar uitnodigen, is ze welkom. Maar zij kan niet voor ons plannen maken.

Marijke werd heel stil. Daarna kwamen de tranen, niet hard, maar ze bleef met een servetje onder haar ogen vegen.

“Jullie zijn de enigen bij wie ik me nog niet bezwaard voelde,” zei ze.

Dat deed pijn, juist omdat ik begreep wat ze bedoelde. Ik zei ook dat ze zich niet bezwaard hoefde te voelen om hulp te vragen. Alleen dat vragen iets anders is dan ervan uitgaan dat wij het oplossen.

Ze zei uiteindelijk: “Dus ik ben te veel geworden.”

Daar had ik geen goed antwoord op. Misschien was ze dat voor ons wel geworden. Maar ik wilde haar ook niet het gevoel geven dat zij als mens te veel was.

Sindsdien is het anders. Niet beter op zo’n nette manier. Ze komt minder vaak bij de koffie met de groep. Als ze er is, is ze wat afstandelijker tegen mij en juist heel opgewekt tegen de rest. Kees heeft haar vorige week geholpen met een online afspraak bij de thuiszorgorganisatie, om te kijken of iemand haar kan ondersteunen met structuur en administratie. Ze vond dat eerst vernederend, maar ze heeft toch gebeld.

Afgelopen woensdag heb ik geschilderd. Een vaas met tulpen, veel te fel rood geworden. Halverwege kreeg ik een appje van Marijke: of ik wist waar ze een formulier voor de Wmo kon vinden. Ik heb haar de link gestuurd en erbij gezet dat we donderdagmiddag samen konden kijken als ze er niet uitkwam.

Ze antwoordde alleen: “Dank je.”

Ik heb daarna mijn telefoon omgedraaid en ben verdergegaan met die tulpen. Het voelde niet vrij. Nog niet. Maar wel iets meer als mijn eigen middag.