Na veertig jaar vriendschap voelde elk bezoek aan Henk en Marijke ineens als een dienst die we niet meer mochten opzeggen

Vorige week heb ik voor het eerst een oproep van Henk weg gedrukt zonder meteen terug te bellen. Ik zat met Els aan de keukentafel, de reisverzekering open op mijn laptop en twee mokken koude koffie tussen ons in. We hadden net de laatste aanbetaling gedaan voor zes weken met de camper door Schotland.

Els keek naar mijn telefoon, die nog even bleef trillen op het tafelblad.

“Neem maar niet op,” zei ze zacht.

Dat klinkt heel hard als je niet weet wie Henk is. Of eigenlijk: wie Henk en Marijke voor ons zijn geweest.

We kennen elkaar sinds 1986. Ik werkte toen nog bij de gemeente in Amersfoort en Henk zat in de verkoop van keukens. We woonden twee straten van elkaar in Nieuwland, allebei net jonge kinderen, allebei altijd geld tekort en altijd druk. De kinderen speelden bij elkaar, we vierden oud en nieuw samen, en toen de kinderen ouder werden bleven wij over. Dat gebeurt ook vaak niet, hoor ik om me heen. Dat je na al die jaren nog steeds zonder nadenken bij elkaar binnenloopt.

Toen we rond ons zestigste met pensioen konden, begon voor ons eigenlijk een nieuwe periode. We kochten een tweedehands camper, niks bijzonders, een oude Adria met een deuk bij de fietsenrekhouder. Henk en Marijke hadden ook een camper. Vanaf dat moment gingen we bijna overal samen heen. De Moezel, de Vogezen, Denemarken, een paar keer naar Italië. Henk regelde altijd de route en Marijke wist precies op welke camping je niet naast een animatieteam moest staan.

Ik kan nog steeds niet langs een Franse supermarkt lopen zonder te denken dat Marijke zou zeggen dat je daar betere perziken had dan bij de kraam op de camping.

Anderhalf jaar geleden kreeg zij de diagnose eierstokkanker. Eerst zeiden ze na de operatie nog dat er een behandelplan lag. Daarna werd het steeds ingewikkelder. Chemokuren, opnames, vocht vasthouden, andere medicijnen. Inmiddels loopt ze met een rollator door het huis en zijn sommige dagen al zwaar als ze alleen maar gedoucht heeft.

Henk veranderde ook. Niet ineens, maar stukje voor stukje.

In het begin gingen Els en ik gewoon vaker langs. We namen eten mee, reden Marijke naar het ziekenhuis als Henk een afspraak had, deden boodschappen. Dat doe je. Daar hebben we nooit discussie over gehad. Els zat soms met Marijke op de bank terwijl ik Henk hielp met een kastje ophangen of de administratie uitzoeken. Henk is niet dom, maar hij raakt in paniek van DigiD, zorgdeclaraties en alles wat een wachtwoord heeft.

Alleen werden de bezoekjes weekenden. Eerst eens per maand omdat Henk zei dat hij dan iets had om naar uit te kijken. Daarna werd het eigenlijk vanzelfsprekend dat we vrijdagmiddag kwamen en zondag na het eten weer naar huis reden.

Hij maakte een lijstje voor ons. Niet op een nare manier, vond hij zelf. Gewoon praktisch. De wasmachine maakte een vreemd geluid. De schuur moest opgeruimd. De maaltijdbezorging moest worden aangepast omdat Marijke ineens bepaalde dingen niet meer verdroeg. Of Els even met haar mee wilde naar de huisarts, want Henk kon daar “niet goed tegen”.

Ik snap dat laatste nog steeds wel. Als je vrouw achteruitgaat, wil je misschien niet telkens degene zijn die alles moet horen. Maar Els kwam op maandag vaak uitgeput thuis van zo’n weekend. Dan lag ze de hele ochtend op de bank met haar ogen dicht. En ik merkte dat ik op donderdag al dacht: daar gaan we weer.

Het rotte is dat je je daar meteen schuldig over voelt. Alsof je niet moe mag zijn omdat iemand anders ernstiger verdriet heeft.

In februari hadden Els en ik een weekendje naar Limburg gepland. Gewoon twee nachten, in een hotel in Valkenburg. Henk belde de woensdag ervoor. Marijke had een slechte week en hij vond het onverantwoord dat wij nu weg zouden gaan. Niet omdat wij iets konden doen aan haar ziekte, dat zei hij er nog bij, maar omdat hij “niet alleen wilde zitten met al dat gedoe”.

Els zei dat we al geboekt hadden.

Hij was een paar seconden stil en zei toen: “Dus een hotelletje is nu belangrijker dan wij?”

Els heeft daarna opgehangen. Ze huilde niet eens. Ze werd vooral heel stil. We zijn wel gegaan, maar het voelde alsof we stiekem spijbelden.

Na dat weekend heb ik Henk opgebeld. Ik had het netjes willen doen. Ik zei dat we van hen hielden, dat we er wilden zijn, maar dat we niet elk maandelijkse weekend konden blijven komen. Misschien vaker een middag, of ik kon een keer alleen komen helpen met iets praktisch. Ook zei ik dat hij misschien via de wijkverpleging, de huisarts of het sociaal team van de gemeente moest vragen welke ondersteuning er mogelijk was. Niet alles hoeft op vrienden neer te komen.

Hij werd direct kwaad.

“Jullie zijn zeker ook al van die mensen die na hun pensioen alleen nog aan zichzelf denken.”

Ik zei dat dat niet eerlijk was. Toen zei hij: “Makkelijk praten als jouw vrouw nog gewoon gezond naast je zit.”

Daar had ik niets op. Want wat zeg je daarop zonder meteen nog gemener te klinken?

Daarna sprak hij twee weken nauwelijks met ons. Marijke stuurde Els af en toe een berichtje, heel kort. Een foto van haar kat op bed. Of: vandaag gaat wel. Els vroeg nooit door, omdat Marijke volgens mij niet wilde dat Henk wist dat ze contact hadden. Dat klinkt misschien kinderachtig op onze leeftijd, maar zo voelde het wel.

De reis naar Schotland hadden we al langer in ons hoofd. Niet eens als vlucht, hoewel het misschien toch een beetje zo is. We wilden nog een keer naar Skye, voordat we zelf te stijf worden om op een nat paadje te lopen. We hebben geen kleinkinderen die we elke week moeten opvangen, geen zorg voor ouders meer, en financieel kunnen we het nu net doen. Als we wachten tot alles rustig is, gaan we vermoedelijk nooit.

Henk hoorde het via Marijke, denk ik. Hij belde op een zondagavond.

“Zes weken?” vroeg hij.

Ik zei ja.

“En als er wat gebeurt?”

Ik zei dat hij kinderen heeft, dat er thuiszorg komt en dat we bereikbaar blijven. Dat klonk vreselijk zakelijk, zelfs in mijn eigen oren.

Hij zei: “Je weet toch dat Marijke daar kapot van is? Jarenlang kon ze nergens heen zonder jullie, en nu gaan jullie gewoon op wereldreis terwijl zij niet eens de straat uitkomt.”

Dat was gemeen van hem, maar het raakte wel. Niet vanwege hem. Vanwege Marijke. Ik zag haar meteen weer voor me, in haar badjas, veel te groot geworden, met die dunne armen. Misschien vindt ze het echt verschrikkelijk. Misschien heeft ze alleen maar geknikt toen Henk het erover had, omdat ze geen energie meer heeft voor gedoe.

Ik heb haar gisteren zelf gebeld. Henk nam op en gaf de telefoon pas na een tijdje aan haar door. Ze klonk buiten adem.

Ik zei dat ik niet wist hoe ik dit goed moest doen.

Ze zei: “Je hoeft het niet goed te doen, Bas.” Daarna hoestte ze een tijd. “Ga maar. Ik vind het naar, natuurlijk. Maar ik wil niet dat Els straks ook alleen maar nog hier zit omdat ik ziek ben.”

Henk riep op de achtergrond iets over dat ze niet zo moest praten. Zij zei geen woord meer.

We gaan dus. Over drie weken. Ik heb Henk daarna niet meer gesproken. Els wil voor vertrek nog langs bij Marijke, maar ze durft niet goed als Henk thuis is. Ik begrijp dat en ik vind het ook verschrikkelijk dat het zo is geworden.

Vanmorgen heb ik de camper van de stalling gehaald. De banden moesten op spanning en het gasflesje was bijna leeg. Heel gewone dingen. Thuis hing Els een stapel fleecevesten over de stoel in de slaapkamer, alsof we gewoon een fijne reis aan het voorbereiden zijn.

Mijn telefoon ligt naast me. Henk heeft nog niet gebeld. En ik weet eerlijk gezegd niet of ik hoop dat hij het wel doet.