Na veertig jaar konden we ineens nergens meer op rekenen

Vorige week heb ik de map met oude vakantiepapieren uit de kast gehaald. Niet omdat ik hem nodig had, maar omdat ik op zoek was naar het telefoonnummer van een camping in de Vogezen waar we ooit met z’n vieren zijn geweest. Tussen de ANWB-boekjes en verkreukelde routekaarten zaten foto’s die ik allang vergeten was: Henk met een veel te klein opblaasbootje, Marianne en mijn vrouw Els onder een parasol, ikzelf met een baard waar Els me jarenlang mee gepest heeft.

Ik heb die map uiteindelijk dichtgedaan zonder dat nummer op te schrijven. Ik kreeg er een naar gevoel van, alsof ik naar foto’s van mensen keek die er niet meer waren. Terwijl ze gewoon twintig minuten fietsen verderop wonen.

Henk en Marianne kennen we sinds 1981. Els werkte toen in een kledingzaak in het centrum van Amersfoort en Marianne kwam daar op zaterdag vaak langs. Ik weet nog dat Henk en ik in het begin vooral deden alsof we niets gemeen hadden. Hij was elektromonteur, ik zat bij de gemeente op de groenvoorziening. Maar na een paar verjaardagen, een schuurfeest en een natte vakantie in Zeeland waren we gewoon een viertal geworden.

Alles ging samen, zonder dat we daar ooit een afspraak over hadden gemaakt. Kerst bij ons, Pasen bij hen. Koningsdag op het terras bij De Hof, als het tenminste niet regende. Ieder jaar in september weg: soms een huisje in Drenthe, later met de auto naar Frankrijk of Italië. Toen de kinderen nog klein waren, vonden die het soms irritant dat hun ouders altijd met dezelfde mensen optrokken. Nu lachen ze erom en zeggen ze dat wij erger zijn dan een oude wandelclub.

Misschien waren we dat ook wel.

Henk ging twee jaar geleden met pensioen. Hij had er lang naar uitgekeken. Zijn laatste jaren op zijn werk waren niet makkelijk; nieuwe systemen, jongere collega’s die volgens hem deden alsof alles wat vóór 2010 bestond achterlijk was. Ik begreep dat wel. Toen ik zelf stopte, voelde het de eerste maanden ook alsof iedereen nog iets van me wilde. De kinderen, de buren, de vrijwillige klusjes bij de sportvereniging. Je agenda bleef vol, alleen zonder salaris.

Maar bij Henk sloeg het verder door dan ik had verwacht.

Eerst zei hij dat hij niet meer elke zondag bij zijn moeder wilde koffie drinken. Daar kon niemand iets tegenin brengen; zijn moeder is 91 en kan behoorlijk veeleisend zijn. Daarna stopte hij met biljarten. Vervolgens wilde hij niet meer standaard bij elke verjaardag zitten. Hij kwam dan wel even langs, zei hij, als hij zin had.

Bij het begin vond ik het eerlijk gezegd wel stoer van hem. Henk was altijd degene die reed, regelde, sjouwde en op kwam draven. Marianne hoefde maar te zeggen dat de vuilnisbak kapot was en Henk stond al met tie-wraps in zijn hand. Misschien was het goed dat hij eens nee zei.

Alleen werd nee bij hem geen antwoord meer. Het werd een soort levenshouding.

Vorig jaar hadden we met kerst afgesproken dat we dit voorjaar samen drie weken naar Puglia zouden gaan. Els wilde daar al jaren heen. Marianne ook. We hadden er een avond voor uitgetrokken bij ons aan tafel, met hapjes die Els veel te vroeg had klaargezet en een laptop die steeds op zwart ging.

Henk zat er met zijn armen over elkaar bij.

‘Je moet me niet vastpinnen op drie weken,’ zei hij toen Marianne een huisje liet zien. ‘Misschien heb ik tegen die tijd helemaal geen zin om naar Italië te gaan.’

Els dacht eerst dat hij een grap maakte. ‘Nou, dan gaan we toch korter?’

‘Daar gaat het niet om. Ik wil gewoon niet meer plannen omdat anderen dat graag willen.’

Ik zei dat een vakantie met vier mensen nu eenmaal enige afstemming vroeg. Niet omdat we hem wilden commanderen, maar omdat je geen huis kunt huren voor vier personen en vervolgens op de dag zelf maar moet zien wie er komt.

Hij keek me aan alsof ik precies bewees wat hij bedoelde.

‘Zie je? Meteen weer regels.’

Daarna werd het stil. Marianne ruimde de glazen af terwijl we nog aan tafel zaten. Dat deed ze vroeger ook als ze nerveus was, alleen viel het me toen nooit zo op.

De dagen erna appte Marianne Els apart. Dat ze Henk ook niet altijd begreep. Dat hij eindelijk rust in zijn hoofd wilde. Dat hij zich tijdens hun hele huwelijk had aangepast aan werk, kinderen en familie, en nu bang was dat zijn pensioen alweer vol zou lopen met dingen die “moeten”. Els zei tegen mij dat we hem ruimte moesten geven.

Dat hebben we gedaan. We zijn niet naar Puglia gegaan. We hebben een weekje met z’n tweeën naar Texel geboekt, wat ook fijn was, maar het voelde toch alsof er een lege stoel mee in de auto zat.

Met Pasen wilden Henk en Marianne niet komen eten. Henk had die ochtend spontaan besloten de motor te pakken, hoewel hij die motor normaal gesproken alleen op zondag poetst. Met Hemelvaart gingen ze naar een camperplaats in Limburg, zonder iets te zeggen. Dat mag natuurlijk. Het is niet alsof mensen toestemming aan ons moeten vragen om een weekend weg te gaan.

Maar het waren steeds juist de dagen die jarenlang van ons allemaal waren geweest. En we hoorden het achteraf, via Facebook of omdat Marianne zich verspreekt aan de telefoon.

Het gekke is dat ik Marianne het nog het meest kwalijk neem, terwijl ik weet dat dat niet helemaal eerlijk is. Zij belt soms huilerig met Els en zegt dan dat ze de oude gezelligheid mist. Maar als Henk zegt dat hij geen verplichtingen meer wil, eindigt ieder gesprek met: ‘Ik snap hem ook wel.’

Ik snap hem óók wel. Dat is het frustrerende.

Toen ik 66 werd, had ik ook opeens geen zin meer in de familiedag van mijn zwager in Almere. Ik ging toch, mopperend, en na twee uur wilde ik alweer naar huis. Vrijheid is prettig. Alleen: je kunt niet veertig jaar lang doen alsof mensen jouw vaste kring zijn en dan verwachten dat die kring stil blijft staan terwijl jij alleen komt opdagen wanneer het jou uitkomt.

Afgelopen maandag belde Henk mij. Heel gewoon, alsof er niets was. Hij wilde weten of ik zaterdag mee naar de bouwmarkt ging, want hij had hulp nodig met een kastwand in de garage. Ik voelde meteen die oude reflex: jas aan, koffie drinken bij hem, samen vloeken op een schroef die dol draait.

Ik heb gezegd dat ik al iets met Els had. Dat was niet eens waar. We zouden waarschijnlijk naar de markt gaan en daarna thuis de ramen lappen.

Henk zei: ‘Jammer dan. Andere keer.’ Niet boos, niet teleurgesteld. Gewoon vlak.

Sinds dat telefoontje zit het me dwars dat ik gelogen heb. Misschien wilde ik hem even laten voelen hoe het is. Misschien was ik bang dat ik toch weer meteen zou gaan, terwijl hij voor onze plannen al maanden geen centimeter beweegt.

Els vindt dat we geen streep door de vriendschap moeten zetten. Ze zegt dat Henk misschien nog moet landen in zijn pensioen en dat Marianne er anders helemaal alleen voor staat. Daar heeft ze waarschijnlijk gelijk in. Tegelijk wil ik niet meer ieder voorstel doen, iedere datum prikken en daarna wachten of meneer toevallig zin heeft om deel te nemen aan zijn eigen leven met ons.

Over twee weken zijn Henk en Marianne veertig jaar getrouwd. Vroeger hadden we daar iets voor georganiseerd, al was het maar een etentje en een gek fotoboek. Nu hebben ze gezegd dat ze “geen gedoe” willen.

Els heeft toch een kaart gekocht. Hij ligt op de eettafel, nog zonder tekst. Elke keer als ik erlangs loop, denk ik dat ik hem moet pakken. Tot nu toe doe ik het niet.