Na veertig jaar vriendschap vroeg mijn vriendin of wij bij hen wilden intrekken

Het begon met een sleutel onder de bloempot.

Ria belde op een dinsdagmiddag. Henk was naar de supermarkt geweest en kwam zonder boodschappen thuis, zei ze. Hij had zijn portemonnee ergens neergelegd en kon niet meer vertellen waar. Of ik misschien even kon komen helpen zoeken, want zij werd er zo onrustig van.

Ik zei natuurlijk ja. Dat doe je als je elkaar al veertig jaar kent.

Wij kennen Ria en Henk nog van de camping in Frankrijk, toen onze kinderen klein waren en je nog zonder reservering ergens met een vouwwagen terechtkon. Daarna kwamen de tennisclub, gezamenlijke vakanties, etentjes op zaterdag. We hebben elkaars kinderen zien afstuderen, scheidingen in de familie aangehoord, begrafenissen gedaan. Mijn man Paul en Henk fietsten jarenlang iedere woensdagmorgen, weer of geen weer. Ria en ik zongen in hetzelfde koor tot corona alles stillegde.

Het was nooit zo’n vriendschap waarbij de een altijd meer gaf dan de ander. Juist niet. Als wij een lekke band hadden onderweg, stond Henk er. Toen Paul na zijn hartoperatie een tijd niet mocht autorijden, bracht Ria mij zonder gedoe naar het ziekenhuis. We maakten grapjes dat we later in hetzelfde verzorgingshuis zouden belanden en dan zouden klagen over de jus.

Bij hen lag de portemonnee uiteindelijk in de diepvries, achter een zak doperwten. Henk keek ernaar alsof wij hem voor de gek hielden. Daarna begon hij te lachen, veel te hard. Ria niet.

Een paar maanden later kwam de diagnose: milde cognitieve stoornis, waarschijnlijk het begin van Alzheimer. Die woorden bleven bij mij hangen, vooral dat ‘waarschijnlijk’. Alsof je nog even mocht doen alsof er niets vaststond.

In het begin hielpen we met gewone dingen. Paul nam Henk een paar keer mee op de fiets, al werd het rondje steeds korter. Ik ging met Ria mee naar het ziekenhuis omdat zij bij de arts dichtklapte en achteraf niet meer wist wat er gezegd was. Soms kookte ik dubbel en bracht ik een pan pasta of stamppot langs.

Dat voelde niet als zorg. Dat voelde als vriendschap.

Maar ergens, ik weet niet eens precies wanneer, veranderde het. Ria stuurde eerst berichtjes met: ‘Zou jij misschien…’ Later stond er alleen nog: ‘Kun je om vier uur?’

Henk liet de kraan lopen. Hij belde Paul omdat hij dacht dat zijn auto gestolen was, terwijl die gewoon op de oprit stond. Hij raakte boos als Ria hem verbeterde en zei dan dat zij hem klein wilde houden. Een keer kwam ik binnen en zaten ze allebei zwijgend aan de keukentafel. De aardappels waren zwart in de pan. Ria had rode ogen, Henk zat met zijn jas aan binnen.

Ik hielp hem die jas uitdoen en schaamde me daarna dat ik dat blijkbaar al automatisch deed.

Paul begon er eerder over dan ik. Hij zei het op een zondagochtend, toen we eigenlijk naar de markt zouden gaan.

‘We zijn deze week vier keer daar geweest, Marjan.’

Ik zei dat Ria er alleen voor stond.

‘Nee, Henk staat er ook nog. Maar dit is meer dan even helpen. Dit is mantelzorg, en dan zonder dat iemand het zo noemt.’

Daar werd ik meteen kwaad van. Niet omdat hij ongelijk had, denk ik nu. Maar omdat het hard klonk. Alsof Henk een dossier was geworden in plaats van zijn vriend.

Paul zuchtte en deed zijn jas weer uit. ‘Ik mis hem ook. Denk je dat ik dit leuk vind?’

Dat vond ik misschien nog het ergste. Hij miste Henk zoals hij was, maar ik wilde daar niet aan. Als ik toegaf dat Henk veranderde, dan moest ik ook toegeven dat onze vriendschap veranderde.

Ria belde steeds vaker. Soms met een duidelijke vraag: een ritje naar de huisarts, mee naar de apotheek, Henk gezelschap houden zodat zij kon douchen of slapen. Maar soms ook omdat ze niet wist wat ze moest doen. Dan zei ze alleen: ‘Hij is weer zo vreemd vandaag.’ En dan zat ik thuis met mijn telefoon in mijn hand, terwijl Paul tegenover me de krant las en deed alsof hij niets hoorde.

We hebben geen kinderen meer thuis, we zijn allebei met pensioen, dus in theorie hadden we tijd. Dat zei ik ook weleens tegen Paul. Meteen kreeg ik spijt, want hij keek me aan en vroeg: ‘Dus onze tijd telt niet meer?’

Hij had net eindelijk zijn oude hobby, houtbewerking, weer opgepakt. We zouden in september drie weken met de camper naar Drenthe en Duitsland. Niet spectaculair, maar we hadden er jaren over gepraat. De reserveringen waren al gedaan.

Ik zei dat we toch niet konden weggaan als het daar zo ging.

‘Daar heb je het al,’ zei hij. Niet boos. Eerder moe.

De thuiszorg kwam inmiddels een paar ochtenden per week. Er was contact met de casemanager dementie, een aardige vrouw die vooral rustig sprak en veel folders meenam. Ria vond het allemaal te langzaam gaan. Ze wilde geen onbekenden over de vloer en Henk werd onrustig van wisselende gezichten. Dat snapte ik ook wel. Bij ons kende hij alles nog. De blauwe mokken, de foto van onze kleindochter aan de koelkast, Pauls flauwe grappen.

Daardoor werd het juist moeilijker om nee te zeggen.

Vorige maand zaten we bij Ria en Henk te eten. Ria had diepvrieslasagne in de oven gedaan en was vergeten hem eruit te halen. De bovenkant was bijna zwart, maar niemand zei er iets van. Henk vroeg drie keer of Paul nog steeds bij de spoorwegen werkte, terwijl Paul daar al twaalf jaar weg is.

Na het eten ging Henk vroeg naar bed. Ria bleef met haar handen om haar glas wijn zitten. Ze zag er klein uit, al is ze altijd groter geweest dan ik.

Toen zei ze dat ze iets had bedacht.

Ze wilde dat Paul en ik tijdelijk bij hen kwamen wonen. Niet voor altijd, benadrukte ze meteen. ‘Gewoon totdat ik alles beter geregeld heb. Jullie kunnen de logeerkamer nemen. Of jullie nemen beneden en wij boven, dat kan ook. Dan kunnen we het echt samen doen.’

Ik voelde eerst medelijden. Ik zag haar al maanden slechter slapen, steeds schrikken van ieder geluidje. Maar daarna voelde ik iets wat ik niet wilde voelen: paniek.

Onze eigen woning verlaten. Onze post, onze tuin, ons bed, Pauls schuur. Iedere ochtend wakker worden in een huis waar Henk misschien niet wist wie we waren. Waar Ria op mij wachtte als ik koffie wilde zetten. Ik zag het ineens heel scherp voor me en ik kon niet ademen.

Paul zei niets. Hij keek naar zijn bord.

Ria keek van hem naar mij. ‘Jullie zijn de enigen die hij vertrouwt.’

Dat is een zin waar je bijna niet tegenin kunt.

Ik hoorde mezelf zeggen dat we erover zouden praten. Ria knikte, maar haar gezicht betrok. Alsof ze ons antwoord eigenlijk al wist en het alleen nog niet kon verdragen.

In de auto zei Paul pas bij de rotonde: ‘Dat gaan we niet doen.’

Ik begon te huilen. Niet netjes, niet stil. Ik was ook boos op hem, terwijl ik precies wist dat hij zei wat ik zelf niet durfde te zeggen. Hij reed verder en legde bij het volgende stoplicht zijn hand op mijn knie. Dat maakte het erger.

We hebben nu afgesproken dat we Ria helpen om met de casemanager een gesprek te voeren over meer thuiszorg, dagbesteding en misschien respijtzorg. Paul wil een vast schema: één middag in de week en alleen in noodgevallen daarbuiten. Ik heb ja gezegd, maar ik kijk nog steeds te vaak naar mijn telefoon.

Ria heeft sinds dat diner weinig gebeld. Gisteren stuurde ze alleen een foto van Henk in de tuin, met zijn jas binnenstebuiten aan. Daaronder stond: ‘Hij wilde per se snoeien.’

Ik heb teruggestuurd dat hij er goed uitzag. Daarna heb ik lang naar die foto gekeken, terwijl Paul in de schuur bezig was. Vanmiddag ga ik koffie bij haar drinken. Alleen koffie, heb ik met mezelf afgesproken.

Ik neem wel een pan soep mee, want die heb ik toch al gemaakt.