Na veertig jaar vriendschap voelde ik me ineens meer mantelzorger dan vriend
Vorige week stond ik in onze bijkeuken met een halfingepakte koffer op de grond. Twee badhanddoeken, zonnebrand, mijn slippers en de reisgids van de Elzas die ik al drie keer had doorgebladerd. We zouden tien dagen weggaan, voor het eerst sinds corona weer echt met z’n tweeën.
Toen belde Marijke.
Ik zag haar naam en dacht nog: ik neem straks wel op. Niet omdat ik geen zin had in haar, juist niet. Maar de afgelopen maanden voelde elk gesprek alsof ik mijn jas al aanhad om ergens heen te gaan.
Toch nam ik op.
Ze vroeg niet hoe het met ons ging. Ze zei meteen dat Henk die ochtend de achterdeur open had laten staan. Hij was naar buiten gelopen zonder jas, in zijn pantoffels, en een buurvrouw had hem aan de rand van de straat gezien. Het was gelukkig goed afgelopen. Hij was na twintig minuten weer thuis, boos omdat Marijke hem had behandeld ‘alsof hij een kleuter was’.
Daarna kwam het stilste stukje van het gesprek.
‘Jullie gaan toch pas zaterdag?’ vroeg ze.
Ik zei ja.
‘Zou Kees misschien van maandag tot donderdag hier kunnen slapen? Alleen zodat ik eens een paar nachten niet steeds wakker lig. Ik durf Henk niet alleen te laten.’
Ik weet dat ze het niet hard bedoelde. Marijke is al veertig jaar mijn beste vriendin. Of tenminste, dat zeg ik altijd zonder na te denken. Wij leerden elkaar kennen op een camping in Frankrijk, met kleine kinderen die ruzie maakten om een opblaaskrokodil. Kees en Henk konden het vanaf de eerste avond goed vinden. Daarna kwamen de jaren vanzelf.
Verjaardagen, verbouwingen, voetbalwedstrijden van onze zoons, de scheiding van onze oudste, de dood van mijn moeder. Toen Kees in 2008 zijn baan kwijtraakte, was Henk degene die elke donderdagavond langskwam met bier en geen goedbedoelde adviezen. Gewoon zitten. Dat vergeet je niet.
We hadden ook onze vaste zaterdag. Eerst wandelen, meestal in de Soesterduinen of langs de Vecht, afhankelijk van het weer en de knieën. Daarna uitgebreid eten bij elkaar. Niet chique, maar wel met te veel hapjes, een fles wijn die nooit bij één bleef en Henk die altijd beweerde dat hij de afwas zou doen. Uiteindelijk droogde hij dan een pan af met een theedoek die al nat was.
Toen hij vorig voorjaar steeds vaker hetzelfde verhaal vertelde, vonden we het eerst vooral pijnlijk. Hij vergat afspraken, zette zijn fiets een keer bij de Albert Heijn neer en belde Marijke uren later vanaf het station omdat hij dacht dat iemand hem had meegenomen. De geheugenpoli kwam met de diagnose: een beginnende vorm van Alzheimer.
Henk zelf reageerde aanvankelijk laconiek. ‘Nou, dan kan ik tenminste elke dag weer genieten van dezelfde mop,’ zei hij. Iedereen lachte, ook ik. Marijke niet echt. Zij keek naar haar handen.
In het begin deden we wat vrienden doen. Ik ging mee naar een afspraak bij de huisarts omdat Marijke de informatie niet meer kon onthouden. Kees hielp een rookmelder vervangen en zette een soort alarm op Henks telefoon. Als we op zaterdag aten, zorgden we dat Henk niet alleen naar huis liep om iets te halen dat hij vergeten was. Het voelde niet als een last. Het voelde als logisch.
Maar langzaam veranderde het.
Marijke belde steeds vaker. Soms omdat Henk zijn medicijnen niet wilde innemen. Soms omdat hij beschuldigde dat zij geld uit zijn portemonnee pakte. Eén keer belde ze huilend omdat hij om vier uur ’s nachts alle kastjes in de keuken had opengemaakt, op zoek naar zijn overleden vader.
Kees ging dan vaak even langs. Hij is rustiger dan ik. Hij kon naast Henk op de bank zitten en over voetbal beginnen, totdat de onrust zakte. Alleen kwam ‘even’ steeds minder vaak uit op even. Kees bleef soms drie uur. Hij zei dan dat het wel ging, maar ik zag hem thuiskomen, zijn schoenen nog aan, starend naar de televisie zonder dat hij wist wat erop was.
Onze zaterdagen bleven ook bestaan, maar het waren geen zaterdagen meer zoals vroeger. Marijke at nauwelijks. Henk wilde soms midden in het eten naar huis, omdat zijn moeder op hem wachtte. Of hij werd kwaad als Kees voorzichtig vroeg of hij misschien geen derde glas wijn moest nemen. Dan zei Henk: ‘Jij bent toch mijn vriend, of niet?’
Dat kwam hard aan bij Kees.
We hebben een paar keer geprobeerd voorzichtig over hulp te beginnen. Casemanager dementie, dagbesteding, iemand van de thuiszorg die mee kon denken. Marijke kapte het af. Ze zei dat er nog lang geen sprake was van ‘dat soort dingen’. Henk zou zich verraden voelen. Bovendien, zei ze, hadden wij elkaar toch.
‘Je laat een vriend toch niet vallen omdat het lastig wordt?’ zei ze een keer tegen mij, terwijl we de aardappels afgieten.
Ik zei toen niets. Daar ben ik niet trots op. Ik dacht alleen: nee, natuurlijk niet. Maar ik dacht ook: waarom voelt het dan alsof ik moet bewijzen dat ik geen slecht mens ben?
Kees was duidelijker dan ik. Niet meteen tegen Marijke, wel tegen mij.
‘Ik wil Henk helpen,’ zei hij. ‘Maar ik wil niet de nachtwacht worden in hun huis.’
Ik vond dat hard klinken. Hij bedoelde het niet hard, denk ik. Hij was moe. Hij slaapt slecht sinds zijn hartonderzoek vorig jaar, en hij heeft zelf artrose in zijn handen. Toch betrapte ik mezelf erop dat ik hem verwijtend aankeek. Alsof hij minder loyaal was dan ik. Terwijl ik ondertussen afspraken met mijn zus afzegde en op dinsdagen mijn telefoon op stil zette omdat ik bang was dat Marijke weer zou bellen.
Toen kwam dat verzoek over onze vakantie.
Ik zei aan de telefoon dat ik het met Kees moest bespreken. Marijke werd niet boos, maar haar stem veranderde. Heel vlak.
‘Ik snap het,’ zei ze. ‘Ik dacht alleen dat jullie zouden begrijpen hoe wanhopig ik ben.’
Die zin zit nog steeds in mijn hoofd.
Kees zei die avond meteen nee. Niet bot, maar beslist. Hij wilde best voor vertrek nog twee middagen bij Henk zitten, zodat Marijke kon slapen of boodschappen kon doen. En na onze vakantie wilde hij mee naar het gesprek met de huisarts, als Marijke dat prettig vond. Maar vier nachten daar slapen, vlak voordat wij weg zouden gaan, deed hij niet.
Ik was eerst boos op hem. We hadden ruzie, echt ruzie, voor het eerst in jaren over iets waar geen van ons beiden schuld aan had. Ik zei dat Marijke er alleen voor stond. Hij zei dat ze niet alleen hoefde te staan als ze hulp toeliet.
De volgende ochtend heb ik Marijke teruggebeld. Mijn handen trilden zo erg dat ik mijn koffie over het aanrecht morste.
Ik vertelde haar wat Kees had voorgesteld. Ze luisterde. Daarna zei ze: ‘Dus jullie gaan gewoon op vakantie terwijl ik hier zit.’
Ik had allerlei nette zinnen voorbereid, maar er kwam alleen uit: ‘Ja, Marijke. Dat gaan we doen.’
Ze hing niet op. We zeiden allebei een tijd niets. Uiteindelijk zei ze dat ze erover na zou denken.
Dat is nu acht dagen geleden. Ze belt alleen nog over praktische dingen. Of ik een nummer van de geheugenpoli heb. Of ik weet waar Henk zijn reservebril kan hebben gelaten. Kees is gisteren een uur geweest omdat Henk onrustig was. Hij kwam thuis met een bos bloemen die Henk blijkbaar voor mij had gekocht, hoewel hij niet meer wist waarom.
De koffer staat inmiddels dicht in de gang. Ik heb er nog steeds geen zin in om weg te gaan, en dat vind ik misschien wel het naarste. Alsof rust nemen iets is waarvoor ik me eerst moet verantwoorden.
Maar zaterdag stappen we in de auto. Voor we gaan, breng ik Marijke een lijstje met nummers langs. Niet omdat dat alles oplost. Eerder omdat ik zelf ook nog moet leren dat iemand nabij zijn niet hetzelfde is als haar hele leven proberen vast te houden.