Mijn man wil ons spaargeld aan onze zoon geven, maar ik zie alleen alles wat er vroeger misging

De envelop met de berekening van onze hypotheekadviseur ligt nu al bijna drie weken op de hoek van de eettafel. Hij is een beetje vet geworden aan de rand, omdat Henk er steeds zijn koffiekopje naast zet. Er staat ongeveer hetzelfde in als wat we zelf al wisten: als we een flink bedrag aan onze zoon Milan schenken, kunnen we nog steeds rondkomen.

Rondkomen. Alsof dat hetzelfde is als gerust zijn.

Henk is 67, ik ben 64. Hij werkte bijna veertig jaar bij een installatiebedrijf, eerst buiten in weer en wind en later als werkvoorbereider. Ik heb jarenlang in de thuiszorg gewerkt. We hebben niet royaal geleefd. Geen verre reizen, geen nieuwe auto om de drie jaar. Ons huis in Amersfoort is groot geworden omdat we hier bleven wonen nadat Milan en zijn zus Laura uit huis gingen. Eerst dacht ik: wat moeten we met al die kamers? Nu denk ik soms dat die kamers ons juist hebben gered, toen mijn moeder bij ons kwam wonen en ik haar de laatste anderhalf jaar verzorgd heb.

Sindsdien kijk ik anders naar geld. Niet gierig, zoals Milan zegt. Voorzichtig. Mijn moeder had ook gedacht dat ze alles wel geregeld had. Tot de traplift, de aanpassingen in de badkamer, taxiritten en alle kleine dingen die niemand van tevoren opschrijft. We kregen veel hulp, echt wel, maar je leven wordt kleiner en duurder tegelijk. Henk heeft een slechte knie en ik heb reuma in mijn handen. We zijn nog prima, hoor. Maar ik wil niet op mijn 78ste mijn dochter moeten bellen omdat de wasmand niet meer de trap op kan en we geen buffer meer hebben.

Milan is 35. Hij heeft twee kinderen, Fien van zeven en Ties van vier, met zijn ex, Naomi. Hij ziet ze om de week en een deel van de vakanties. Hij woont nu in een kleine huurwoning in Nieuwegein, boven een snackbar. De kinderen slapen daar samen in een kamertje waar net een stapelbed in past. Dat is niet ideaal, dat weet ik ook. Hij wil een huis kopen in de buurt van hun school, zodat hij dichterbij is en ze allebei een eigen plek hebben.

Ik gun die kinderen een rustige plek. Ik gun Milan zelfs die rust, als ik heel eerlijk ben.

Maar ik heb hem ook op een dinsdagavond op mijn bank zien zitten, drie jaar geleden, met een jas aan die naar regen rook en een gezicht dat zo grijs was dat ik dacht dat hij ziek was. Hij had toen 18.000 euro schuld door online gokken. Niet alleen bij een kredietverstrekker. Ook bij zijn zus. Ook bij Henk, al wist ik dat pas later. En hij had zonder iets te zeggen mijn oude gouden armband uit het laadje in de slaapkamer meegenomen. Die had hij bij een opkoper verkocht.

Het ging niet eens om die armband. Die was van mijn tante en ik droeg hem nauwelijks. Het ging erom dat hij na afloop tegen mij zei dat ik hem vast kwijtgeraakt was, omdat ik ‘altijd alles overal neerlegde’. Hij keek me recht aan toen hij dat zei.

Henk heeft toen een deel van zijn schuld afgelost, onder de voorwaarde dat Milan hulp zou zoeken. Dat heeft hij ook gedaan, een tijd. Hij heeft nu al twee jaar vast werk bij een logistiek bedrijf en volgens hem gokt hij niet meer. Ik geloof best dat hij veranderd is. Of ik wil het geloven. Maar vertrouwen is bij mij geen lichtknop die je weer omzet omdat iemand een loonstrook laat zien.

Vorige maand kwamen Milan en Naomi apart bij ons eten. Dat was op zichzelf al ongemakkelijk. Zij waren beleefd tegen elkaar, te beleefd bijna. Na het eten liet Milan op zijn telefoon huizen zien. Rijtjeshuizen, niks buitensporigs. Een tuin van vijf meter. Een zolder waar volgens hem een slaapkamer van kon.

Hij zei dat hij een bedrag tekortkwam voor de aankoopkosten en om meer te kunnen bieden. Henk had blijkbaar al met hem gesproken. Dat wist ik niet.

‘Pap dacht aan tachtigduizend,’ zei Milan, alsof hij het over een tweedehands auto had.

Ik weet nog dat ik naar zijn bord keek. Hij had de sperziebonen netjes naar één kant geschoven. Ik zei niet meteen nee. Ik vroeg hoeveel hij zelf had gespaard, hoeveel alimentatie hij betaalde, hoe zijn schulden ervoor stonden. Naomi keek naar haar glas en zei toen dat alles was afbetaald, voor zover zij wist.

Voor zover zij wist. Dat bleef bij me hangen, misschien onterecht.

Henk werd rood in zijn nek. Hij zei: ‘Het is ook ons kind, Marije. We kunnen toch niet toekijken terwijl hij zijn kinderen in zo’n hok moet ontvangen?’

Milan zei niets, maar hij trok zijn mond samen. Dat deed hij vroeger ook als hij zich aangevallen voelde.

Later, toen Naomi weg was en de kinderen bij haar moeder waren, barstte het alsnog los. Milan zei dat ik hem altijd bleef zien als de jongen die dingen verpestte. Dat ik blijkbaar vond dat Fien en Ties minder belangrijk waren dan mijn angst.

Ik zei dat ik niet verantwoordelijk ben voor zijn hypotheek.

Dat kwam er harder uit dan ik bedoeld had. Hij stond op, pakte zijn sleutels en zei: ‘Nee mam, je bent vooral verantwoordelijk voor dat ik nooit iets goed genoeg kan doen.’

Henk reed hem die avond nog naar het station, hoewel Milan met de auto was gekomen. Ik heb niet gevraagd waarom. Misschien wilde Henk gewoon even alleen met hem praten. Misschien wilde Milan niet meer naast mij aan tafel zitten.

Sindsdien praten Henk en ik vooral over praktische dingen. Of er nog koffie is. Of Laura zondag komt. Of de vuilnis buiten moet. Maar onder alles zit die tachtigduizend euro.

Henk zegt dat een schenking geen beloning hoeft te zijn voor een foutloos verleden. Hij zegt dat we later niet moeten denken: we hadden het kunnen doen, maar we hielden ons vast aan geld dat we uiteindelijk toch niet meenemen. Daar heeft hij ergens gelijk in. Hij is ook geen domme man. Hij heeft Milan in die slechte jaren vaker opgevangen dan ik weet, vermoed ik. Misschien draagt hij schuld mee omdat hij veel werkte toen Milan jong was. Henk praat daar niet over.

Ik heb voorgesteld om minder te geven. Een bedrag waarmee Milan de kosten koper en een deel van de inrichting kan betalen, maar niet onze hele reserve aantast. Of een lening via de notaris, met afspraken. Henk vindt dat vernederend. Milan vindt het blijkbaar een bewijs dat ik verwacht dat hij weer liegt.

En ja. Misschien verwacht ik dat ook een beetje.

Gisteren belde Laura. Ze zei dat ze erbuiten wilde blijven, maar dat lukte haar niet echt. ‘Mam, als jullie dit doen, moet het niet zijn omdat pap bang is om Milan kwijt te raken,’ zei ze. Daarna zei ze ook dat ik misschien niet elke keer de deur dicht moest houden zodra Milan iets vraagt. Ik werd boos op haar. Onterecht, waarschijnlijk. Zij heeft haar leven op orde, een baan in het onderwijs, een klein huis met haar vriendin. Makkelijk praten, dacht ik. Maar zij heeft ook nooit gevraagd om onze spaargeldpot.

Vanmiddag kwam Henk thuis met een tas boodschappen en zei hij dat Milan een woning op het oog had. De deadline voor bieden is maandag. Hij zette de melk in de koelkast en bleef met zijn hand op het deurtje staan.

‘Ik wil dit niet zonder jou beslissen,’ zei hij.

Ik zei: ‘Maar je wilt wel dat ik ja zeg.’

Daarna was het lang stil. Niet boos stil. Erger eigenlijk. Alsof we allebei wachtten tot de ander iemand anders werd.

Maandag moeten we iets laten weten. Ik heb de envelop weer opengemaakt en de cijfers gelezen, terwijl Henk boven lag te slapen. Tachtigduizend kunnen we missen, zeggen de cijfers. Alleen staat er nergens in die berekening wat het kost als je bang blijft dat je kind weer verdwijnt zodra hij gekregen heeft wat hij nodig had.