Mijn Partner Heeft Geen Zelfbeheersing: Moet Ik Een Koelkastslot Kopen?

‘Bas, waar zijn de restjes van gisteren gebleven?’ Mijn stem trilt, niet van woede, maar van teleurstelling. Ik sta met een lege plastic bak in mijn hand, de koelkastdeur nog open. De geur van koude lucht mengt zich met het besef dat het weer zover is.

Bas kijkt niet op van zijn telefoon. ‘Oh, die heb ik vannacht opgegeten. Kon niet slapen.’

Ik slik. ‘Dat was voor mijn lunch vandaag. Je weet dat ik geen tijd had om iets anders klaar te maken.’

Hij haalt zijn schouders op. ‘Sorry, ik had gewoon honger.’

Het is niet de eerste keer. Sinds Bas zijn baan als accountmanager verloor, is hij veranderd. Hij slaapt overdag, kijkt ’s nachts Netflix en eet alles wat los en vast zit. De eerste weken vond ik het zielig; hij was duidelijk van slag. Maar nu, maanden later, voel ik vooral frustratie. En honger.

Mijn moeder zegt altijd: ‘Samenwonen is geven en nemen.’ Maar wat als de ander alleen maar neemt?

Ik loop naar de woonkamer, waar Bas onderuitgezakt op de bank ligt. Zijn haar is vettig, zijn joggingbroek heeft vlekken. Ik herinner me nog hoe charmant hij was toen we elkaar ontmoetten op een feestje van vrienden in De Pijp. Altijd verzorgd, altijd attent. Nu lijkt hij een schim van zichzelf.

‘Bas, we moeten praten,’ begin ik voorzichtig.

Hij zucht. ‘Waarover nu weer?’

‘Over het eten. Over… alles eigenlijk. Ik voel me niet meer thuis in mijn eigen huis.’

Hij kijkt me eindelijk aan, zijn ogen rood van vermoeidheid of misschien van het huilen dat hij stiekem doet als ik er niet ben. ‘Wat wil je dan dat ik doe? Ik probeer het al.’

‘Maar je probeert het niet echt,’ zeg ik zachter. ‘Je eet alles op, je helpt niet in huis, je solliciteert nauwelijks…’

Hij springt overeind. ‘Denk je dat ik dit leuk vind? Denk je dat ik blij ben met mezelf?’

Ik schrik van zijn felheid. Even is het stil.

‘Misschien moet ik gewoon een slot op de koelkast zetten,’ mompel ik.

Zijn gezicht vertrekt. ‘Doe dat maar. Dan weet ik tenminste zeker dat je me niet vertrouwt.’

De rest van de avond zwijgen we. Ik hoor hem later in de keuken rommelen, maar ik blijf in bed liggen, starend naar het plafond.

De volgende ochtend vind ik een briefje op het aanrecht: “Sorry.” Meer niet.

Op mijn werk kan ik me nauwelijks concentreren. Mijn collega’s praten over vakanties en nieuwe recepten, maar alles wat ik kan denken is: hoe is het zover gekomen? ’s Avonds fiets ik langzaam naar huis, bang voor wat ik zal aantreffen.

Thuis ruikt het naar pizza. In de prullenbak liggen drie lege dozen. Bas zit weer op de bank, ogen op oneindig.

‘Heb je iets gegeten?’ vraag ik voorzichtig.

Hij knikt zonder me aan te kijken.

‘Bas…’

‘Ik weet het niet meer, Marieke,’ zegt hij zacht. ‘Ik weet niet hoe ik hieruit kom.’

Ik ga naast hem zitten. ‘Misschien moeten we hulp zoeken.’

Hij lacht schamper. ‘Therapie? Omdat ik te veel eet?’

‘Niet alleen daarom. Omdat we elkaar kwijt zijn.’

Hij zwijgt lang. Dan fluistert hij: ‘Ben je bang dat je me verliest?’

Ik voel tranen prikken achter mijn ogen. ‘Ik ben bang dat we onszelf verliezen.’

De dagen daarna probeer ik hem te steunen. We maken samen een boodschappenlijstje, koken samen – of nou ja, ik kook en Bas snijdt wat groenten. Maar ’s nachts hoor ik hem weer in de keuken sluipen.

Op een avond kom ik thuis en zie ik dat de koelkastdeur openstaat. Alles is weg: kaas, yoghurt, zelfs de augurken die Bas normaal haat.

Ik barst in huilen uit.

Bas komt aangesneld en schrikt als hij me zo ziet. ‘Sorry! Ik weet niet wat er met me gebeurt…’

‘Dit kan zo niet langer,’ snik ik. ‘We moeten echt hulp zoeken.’

Die nacht slapen we rug aan rug.

Een week later zitten we bij een maatschappelijk werker in Kanaleneiland. Bas vertelt schoorvoetend over zijn schaamte, over hoe eten het enige is wat hem nog troost biedt sinds hij zijn baan kwijt is.

‘En jij?’ vraagt de maatschappelijk werker aan mij.

Ik vertel over mijn angst om hem kwijt te raken, om mezelf kwijt te raken in deze relatie vol leegte – letterlijk en figuurlijk.

Langzaam komt er iets van begrip tussen ons terug. We maken afspraken: Bas krijgt een eigen plank in de koelkast met “zijn” eten; mijn lunch blijft onaangeroerd. We plannen samen sollicitatiesessies in en proberen weer kleine dingen samen te doen: wandelen langs de Oudegracht, koffie drinken bij Koffie Leute.

Het gaat niet vanzelf. Soms betrap ik Bas nog steeds ’s nachts in de keuken, maar nu praat hij erover. Soms huilen we samen om alles wat verloren lijkt te zijn gegaan.

Op een dag komt Bas thuis met een glimlach – zijn eerste sinds maanden – en een contract voor een nieuwe baan bij een klein marketingbureau in Amersfoort.

We vieren het met sushi (ik bestel extra veel) en lachen om onze oude ruzies over augurken en yoghurt.

Toch blijft er iets knagen als ik naar de koelkast kijk. Vertrouwen komt langzaam terug, maar het blijft kwetsbaar.

Soms vraag ik me af: was het eten echt het probleem? Of was het slechts een symptoom van iets veel groters?

En als liefde geven en nemen is… hoeveel kun je blijven geven voordat je zelf niets meer overhoudt?