Mijn man wilde onze beste vrienden in huis halen toen dementie toesloeg, maar ik voelde onze vrijheid door mijn vingers glippen
‘Dus jij laat ons gewoon vallen?’
Anja zei het niet eens hard. Juist dat zachte maakte het erger. Ze stond bij ons aan het aanrecht, haar hand om een koude mok koffie die ze al een uur niet had aangeraakt. Naast haar zat Henk op een stoel alsof hij niet goed meer wist waarom hij daar zat. Mijn man Kees keek me aan met zo’n blik die ik na veertig jaar huwelijk meteen herken: niet nu, Els. Niet zo.
Maar het was al te laat.
‘Ik laat jullie niet vallen,’ zei ik. ‘Ik zeg alleen dat bij ons intrekken iets anders is dan af en toe helpen.’
Henk keek op. ‘Intrekken?’ vroeg hij. ‘Gaan we op vakantie?’
Niemand lachte.
Dat was het moment waarop ik voelde hoe alles wat jarenlang vanzelfsprekend was geweest, begon te scheuren.
Wij vier deden alles samen. Sinds de jaren tachtig. Kamperen in Zeeland met te weinig geld en veel te veel blikken bier. Later etentjes op zaterdag, oppassen op elkaars kinderen, verhuisdozen sjouwen, begrafenissen, trouwfeesten, de eerste kleinkinderen. Als er iets was, belden we elkaar eerder dan onze eigen broers of zussen. Zo hecht waren we.
En nu zat Henk daar, mijn vrolijke, scherpe Henk, die vroeger elke pubquiz won, en vroeg of hij op vakantie ging terwijl zijn vrouw zat te trillen van vermoeidheid.
De eerste signalen hadden we nog weggelachen. Verjaardagen vergeten. De auto kwijt op het parkeerterrein van de Intratuin. Drie keer hetzelfde verhaal in een uur. Maar toen belde Anja me op een woensdagochtend huilend op.
‘Hij stond buiten in zijn pyjama,’ zei ze. ‘Om half zes. Hij dacht dat hij naar de fabriek moest.’
Henk heeft nooit in een fabriek gewerkt.
Vanaf dat moment ging het snel. Diagnoses, wachtlijsten, gesprekken met de huisarts en de casemanager dementie. Althans, die laatste probeerde erbij te komen. Anja wilde er niets van weten.
‘Ik ga mijn man toch niet aan vreemden overlaten?’ zei ze steeds. ‘Hij heeft mensen nodig die hij kent.’
Die mensen, dat waren dus wij.
In het begin hielpen we graag. Natuurlijk. Kees ging met Henk wandelen. Ik kookte extra porties stamppot en zette bakjes in hun vriezer. We deden boodschappen, reden naar afspraken, bleven soms een middag zodat Anja even kon slapen. Maar al snel werd het meer. Veel meer.
Of ik elke ochtend even kon komen helpen met douchen als Henk dwars was.
Of Kees ’s nachts bereikbaar wilde zijn als Henk weer het huis uit liep.
Of we niet konden nadenken over de aanbouw. ‘Jullie hebben daar toch die ruimte naast de garage,’ zei Anja. ‘Met een kleine aanpassing kunnen wij daar prima wonen. Dan zijn we dicht bij jullie. Voor iedereen beter.’
Voor iedereen beter.
Ik weet nog dat ik haar aankeek en dacht: meen je dit echt?
Die avond barstte de ruzie tussen mij en Kees los nog voor de aardappelen op tafel stonden.
‘Ze kunnen nergens anders heen, Els.’
‘Nergens anders heen? Er is thuiszorg. Dagopvang. Respijtzorg. Een casemanager. Een wachtlijst voor begeleid wonen desnoods. Maar nee, alles moet hier landen.’
Kees sloeg met vlakke hand op tafel. Niet hard, maar hard genoeg.
‘Het gaat om Henk.’
‘Nee,’ zei ik. ‘Het gaat inmiddels ook om ons. Dat wil jij alleen niet horen.’
Hij liep naar het raam en bleef met zijn rug naar me toe staan. ‘Als ik straks zo word, wil jij me dan ook uitbesteden?’
Dat kwam binnen. Vals ook, maar het kwam binnen.
‘Doe niet zo oneerlijk,’ zei ik zacht. ‘Dit gaat niet over jou. En ook niet over liefde. Dit gaat over grenzen.’
Maar eerlijk? Er zat meer onder.
Wij waren net twee jaar met pensioen. Voor het eerst in decennia was het stil in huis. We dronken koffie in de tuin zonder op de klok te kijken. We gingen op dinsdag naar de markt, zomaar. We praatten zelfs over een paar maanden met de camper door Drenthe en misschien nog eens naar Texel. Kleine dingen, maar voor mij voelde dat als een teruggekregen stuk leven.
En nu moest ik doen alsof het heel normaal was om ons huis te verbouwen tot een soort mini-zorginstelling omdat mijn beste vriendin geen professionals over de vloer wilde.
De week erna kwam Anja alleen. Henk zat volgens haar ‘even bij de buurman’, wat achteraf niet waar bleek; hij was door de politie meegenomen nadat hij verward over de N-weg liep.
Ze ging aan mijn keukentafel zitten en zei: ‘Ik vertrouw niemand zoals ik jullie vertrouw.’
Ik zei niets.
‘Als jullie nee zeggen, dan weet ik het echt niet meer.’
Daar was hij. De zin waar ik al weken bang voor was. Niet een vraag, maar een gewicht. Leg dat maar eens neer zonder schuld.
‘Anja,’ zei ik, ‘ik hou van je. Maar ik kan dit niet. Niet zo. Ik wil helpen, maar niet inwonen, niet dag en nacht, niet alles opvangen wat professionele zorg hoort te doen.’
Ze trok wit weg. ‘Dus na veertig jaar is dit je antwoord.’
‘Na veertig jaar is dit juist mijn eerlijke antwoord.’
Ze stond op, zo abrupt dat de stoel over de tegels schraapte. ‘Kees begrijpt tenminste wat vriendschap is.’
Dat was misschien nog het pijnlijkste. Alsof ik de verrader was. Alsof mijn nee betekende dat al die jaren minder echt waren.
Kees heeft drie dagen nauwelijks met me gepraat. In huis hing zo’n dikke stilte dat zelfs de koelkast luid klonk. Op de vierde dag zei hij: ‘Misschien heb ik Henk al een beetje verloren. En nu voelt het alsof ik Anja ook verlies.’
Toen pas kon ik weer zachter naar hem kijken.
‘En ik dan?’ vroeg ik. ‘Moet jij mij ook verliezen om hen te redden?’
Hij begon te huilen. Mijn nuchtere Kees, die normaal nog geen traan laat bij een begrafenis. Gewoon ineens, met zijn handen voor zijn gezicht als een kind. Ik ben naast hem gaan zitten. We hebben daar lang gezeten zonder oplossing.
Uiteindelijk is er wel professionele hulp gekomen. Niet omdat Anja het wilde, maar omdat het niet anders meer ging. Ze spreekt me nog, maar anders. Voorzichtiger, killer soms. Alsof er iets kapot is wat niet meer netjes te lijmen valt.
Henk herkent me de ene keer wel en de andere keer niet. Laatst noemde hij me zijn zus. Ik ben in de auto daarna keihard gaan janken, echt waar.
Ik vraag me nog steeds af of ik egoïstisch ben geweest, of gewoon eerlijk op tijd. Hoe ver moet vriendschap gaan als zorgen liefde begint op te eten?
Wat zouden jullie hebben gedaan? Had ik onze deur verder moeten openen, of was dit de enige manier om niet ook onszelf kwijt te raken?