Mijn beste vriend wilde nog één keer terug naar Scheveningen, maar zijn vrouw smeekte ons om het niet te doen

‘Jullie moeten me helpen. Ik ga nog één keer naar Scheveningen, met of zonder haar.’

Arie zei het terwijl zijn vingers om een koffiekop trilden die hij al vijf minuten niet had aangeraakt. Aan de overkant van de tafel zat Mieke stokstijf. Haar mond stond een klein beetje open, maar er kwam eerst geen woord uit. Mijn man Kees keek mij aan zoals hij dat alleen doet als hij voelt dat er iets kapotgaat waar je niet meer omheen kunt.

We zijn allemaal begin zeventig. Al veertig jaar doen we alles samen. Kamperen op de Veluwe, klaverjassen op zaterdag, oppassen op elkaars kleinkinderen, ziekenhuisritten, verhuizingen, begrafenissen. Er was nooit gedoe tussen ons. Tenminste, niet iets wat bleef hangen.

Tot die middag.

Arie had uitgezaaide longkanker. Drie maanden eerder hoorde hij dat er geen behandeling meer was die echt iets zou veranderen. Sindsdien werd hij kleiner. Niet alleen dunner, maar ook stiller, alsof hij soms al half ergens anders was. En toch zat er die dag ineens vuur in hem.

‘Ik wil de zee nog één keer ruiken,’ zei hij. ‘Die pier. Die wind. Een haring op de boulevard. Gewoon… nog één dag voelen dat ik leef.’

Mieke sloeg met haar vlakke hand op tafel. Niet hard, maar hard genoeg.

‘Nee, Arie. Nee. Dat weet je.’

Iedereen wist het, maar niemand zei het ooit hardop. Hun oudste zoon, Dennis, is dertig jaar geleden verdronken bij Scheveningen. Een rotmiddag in april. Koud water, aflandige wind, paniek. Hij was negentien. Sindsdien kreeg Mieke al een benauwd gezicht als iemand alleen al over die plek begon.

Kees schraapte zijn keel. ‘Arie… is er echt geen andere plek? Katwijk, Zandvoort, desnoods Texel?’

Arie keek hem aan met een blik die ik niet snel vergeet. Moe, koppig, bijna beledigd.

‘Het gaat niet om zomaar zee. Het gaat om daar. Ik kwam er met Dennis toen hij klein was. Ik heb hem daar leren vliegeren. Daar was hij gelukkig. Ik wil niet eindigen alsof die plek alleen nog van de dood is.’

Mieke begon te huilen, heel stil eerst, daarna schokkerig. ‘En ik dan? Bestaan ik en mijn verdriet niet? Moet ik daar soms ook nog heen om te bewijzen dat ik van je hou?’

Niemand zei iets.

Ik voelde mijn maag draaien. Omdat ik hem begreep. En haar ook. Dat was nou net het probleem.

Toen ze weg waren, bleven Kees en ik zwijgend zitten. De koffie was koud. Buiten reed de vuilniswagen langs, gewoon zo’n normale dinsdagmiddag, en binnen voelde het alsof ons leven in tweeën was gescheurd.

‘Wij gaan hier niet tussen zitten,’ zei Kees eindelijk.

‘Maar dat zitten we al,’ zei ik.

Een week later belde Arie mij stiekem. Mieke lag te slapen, zei hij. Of ik wilde helpen een busje te regelen. Rolstoel mee. Niet ingewikkeld. Gewoon één dag.

‘Els, alsjeblieft. Jij kent me. Ik vraag nooit wat.’

Ik hoorde hem happen naar adem tussen zijn zinnen door.

‘Ik ben bang dat ik straks wegga en alleen maar rekening heb gehouden met wat kapot is. Ik wil nog één herinnering die niet ziek is.’

Die zin bleef hangen. Ik schaam me er bijna voor, maar ik moest ervan huilen in de bijkeuken, tussen de wasmand en een pak wc-papier.

Die avond zei ik tegen Kees dat ik dacht dat we hem moesten helpen. Kees werd boos, echt boos, en dat gebeurt zelden.

‘Dus we liegen tegen Mieke? Tegen haar? Na alles?’

‘Niet liegen. Alleen… Arie steunen.’

‘Dat is precies hetzelfde en dat weet je best.’

We kregen ruzie zoals we in jaren niet hadden gehad. Kortaf, gemeen ook een beetje.

‘Jij denkt altijd aan degene die het hardst huilt,’ beet ik hem toe.

Hij stond op van tafel. ‘En jij romantiseert een laatste wens alsof de levenden daarna geen puin hoeven op te ruimen.’

Dat kwam aan.

Twee dagen later stond Mieke ineens voor mijn deur. Zonder jas dicht, haren niet gedaan. Ik zag meteen dat ze wist van het telefoontje.

‘Gaat hij achter mijn rug om?’ vroeg ze.

Ik loog niet. Maar ik zei ook niet alles. Laf misschien.

Ze ging op onze bank zitten en keek naar haar handen. ‘Iedereen heeft het steeds over zijn laatste wens. Alsof dat heilig is. Maar ik moet straks wakker worden in een huis zonder hem. Ik moet verder met wat dit met me doet. Ziet dan niemand mij?’

Ik pakte haar hand en ze trok hem eerst weg, heel even maar. Dat deed meer pijn dan ik had verwacht.

‘Als jullie hem helpen,’ zei ze, ‘dan voelt het alsof ik mijn man verlies en mijn beste vrienden erbij.’

Die nacht sliep ik amper. Ik hoorde Kees ademen naast me en dacht aan al die jaren met z’n vieren. Kerstavonden. De Elfstedentocht op tv met snert op schoot. Mieke die mij vasthield na mijn miskraam. Arie die Kees hielp toen hij zijn baan kwijtraakte in de jaren negentig en zich kapot schaamde. Mensen zeggen makkelijk dat je moet kiezen wat juist is. Maar wat als beide kanten pijn doen en geen enkele keuze schoon blijft?

Uiteindelijk zijn we gegaan. Niet stiekem. Dat konden we niet. Kees en ik zijn samen naar Mieke gegaan en hebben gezegd dat Arie het nodig had en dat we haar nooit buitensluiten, nooit. Ze keek ons aan met zo’n lege blik dat ik er nog misselijk van word.

‘Doe dan maar wat jullie toch al besloten hebben,’ zei ze.

De dag in Scheveningen was koud en helder. Arie was doodop, maar zodra hij de lucht rook, glimlachte hij. Echt, zoals vroeger. We reden langzaam over de boulevard. Hij wees plekken aan waar Dennis als kind ijs had gemorst, waar ze ooit waren geschuild voor regen, waar hij Mieke ten huwelijk had gevraagd. Ik had dat laatste nooit geweten.

Bij de zee begon hij te huilen. Niet groot. Gewoon tranen die bleven komen.

‘Nu is het weer van ons alle drie,’ fluisterde hij.

Twee weken later overleed hij.

Mieke kwam niet op bezoek na de begrafenis. Maanden niet. Toen ze uiteindelijk belde, zei ze alleen: ‘Ik probeer het jullie niet kwalijk te nemen, maar ik ben er nog niet.’

Dat was nu acht maanden geleden. Soms drinken we weer koffie. Voorzichtig. Alsof we over glas lopen. Het is niet meer zoals vroeger. Misschien wordt het dat ook nooit meer.

Ik mis Arie. En ik mis de eenvoud van vroeger nog bijna net zo erg.

Hebben wij hem gegeven wat hij nodig had, of hebben we haar in de steek gelaten toen zij ons het hardst nodig had? Ik weet het nog steeds niet, en misschien is dat juist het ergste.