Mijn man zette ons huis te koop voor zijn droom in Zuid-Frankrijk, maar niemand zag wat ik hier echt zou verliezen
“Wat bedoel je met: het staat al online?”
Ik had nog mijn ovenschaal in mijn handen. De lasagne voor vrijdagavond stond half klaar, zoals al jaren, want op vrijdag kwamen Henk en Marijke, Joop en Els, en meestal ook Pieter en Anneke. Altijd te veel wijn, altijd dezelfde grappen, altijd iemand die riep dat we écht eens minder moesten eten. Ik lachte daar altijd om. Die avond niet.
Kees keek niet op van zijn telefoon. “Op Funda. De fotograaf is vorige week geweest toen jij met Marijke in de stad was. Ik dacht… als het eenmaal concreet is, wen je er sneller aan.”
Ik weet nog dat ik de schaal te hard op het aanrecht zette. De saus spatte tegen de tegels.
“Je dacht? Je dacht?” Mijn stem sloeg over, heel gênant eigenlijk, maar ik was zó kwaad. “Ons huis, Kees. Ons leven. En jij besluit gewoon alvast voor ons allebei?”
Hij zuchtte zoals hij de laatste maanden vaker deed, alsof ik een lastig obstakel was tussen hem en iets moois. “Ria, we hebben hier toch over gepraat? Jarenlang zelfs. Mijn hele werkzame leven heb ik gewacht. Een kleine chambres d’hôtes, wat rust, zon, gasten ontvangen. Samen. Dit is juist ónze kans.”
Onze kans. Dat woord deed pijn.
Voor hem was Zuid-Frankrijk een droom. Voor mij was het een leeg plein waar niemand mijn naam kende.
Mensen snappen dat vaak niet. Dan zeggen ze: je bent begin zestig, de kinderen zijn de deur uit, je moet het leven grijpen. Alsof ik het leven hier niet al had. Alsof mijn leven alleen echt is als er lavendel naast staat.
Onze vriendengroep wist het al sneller dan ik doorhad. Natuurlijk. Kees had het tijdens het wandelen met Joop verteld. Die vrijdag zat iedereen aan tafel alsof we iets te vieren hadden.
“Ik ben jaloers op jullie,” zei Els, terwijl ze de salade doorgaf. “Gewoon doen, joh. Als je het nu niet doet, wanneer dan?”
“Jullie redden dat prima,” zei Pieter. “En we komen gewoon langs. Dan maken we er een jaarlijks uitje van.”
Ik knikte. Ik glimlachte zelfs. Dat kan ik goed, glimlachen als ik het liefst wil huilen.
Marijke keek me één keer aan. Net iets te lang. Alsof zij wel zag dat mijn hand trilde toen ik de glazen inschonk.
Later, toen iedereen weg was en de vaatwasser draaide, zei ik tegen Kees: “Ze moedigen jou aan. Niet mij. Niemand vraagt wat dit met mij doet.”
Hij draaide zich om met een theedoek in zijn hand. “Wat doet het dan met jou, Ria? Want elke keer als ik het probeer te bespreken, zeg jij alleen maar dat je het spannend vindt. Alles is spannend. Een mens moet ook eens dóór iets heen.”
Dat was het moment dat ik brak.
“Ik ben bang,” zei ik. Eindelijk hardop. “Niet een beetje spannend, niet zenuwachtig voor een verhuizing. Echt bang. Bang dat jij daar opbloeit en ik verdwijn. Dat ik straks de dagen vul met bedden opmaken en stokbrood halen, en verder niemand heb. Dat ik geen spontaan kopje koffie meer drink met Marijke. Geen appje van Els als haar kleinkind weer iets geks heeft gezegd. Geen vrijdagavond hier aan tafel. Weet je wel hoeveel van wie ik ben daarin zit?”
Hij zei eerst niks. Dat was nog erger.
Na een tijdje kwam alleen: “Dus ik moet blijven omdat jij niet zonder je vriendinnen kunt?”
Dat sneed. Alsof het iets kleins en beschamends was.
De weken daarna leefden we in een soort nette oorlog. Geen geschreeuw meer, juist niet. Koffie werd gezet. Boodschappen werden gedaan. Maar alles klonk hol. Ondertussen kwamen de bezichtigingen. Vreemde mensen die door mijn woonkamer liepen en zeiden dat de lichtinval mooi was. Ik stond dan boven in de logeerkamer alsof ik zelf al uit huis geplaatst was.
Marijke kwam op een dinsdag langs met appeltaart van de bakker.
“Je hoeft niet stoer te doen bij mij,” zei ze.
En toen heb ik gehuild. Van dat lelijke huilen, met een rode neus en happen naar adem.
“Iedereen vindt mij egoïstisch,” zei ik.
“Ik niet,” zei ze meteen. “Maar ik vind Kees ook niet per se slecht. Alleen… hij hoort jou niet.”
Dat was precies het probleem. Hij hoorde alleen de versie van mij die wel mee zou komen. De gezellige vrouw die overal iets van maakt. Maar ik bén niet overal iemand. Hier wel. Hier ben ik Ria van de vrijdagavonden. Ria die Els naar het ziekenhuis reed. Ria die op de kleinkinderen van Anneke paste toen haar dochter in scheiding lag. Ria die niet hoeft uit te leggen wie ze is.
De klap kwam toen we een bod kregen. Boven de vraagprijs.
Kees stond met glimmende ogen in de kamer. “Dit is het, Ria. Dit gebeurt niet zomaar. Misschien is dit een teken.”
Ik keek naar hem en dacht: je bent me echt kwijt als ik nu niks zeg.
Dus dat deed ik. Voor het eerst zonder tranen.
“Als jij gaat, ga je misschien zonder mij.”
Hij werd wit. “Meen je dat?”
“Ja,” zei ik, en mijn hart bonsde in mijn keel. “Omdat jij al maanden doet alsof ik wel bijtrek. Alsof mijn verdriet een fase is die lastig in de planning zit. Maar ik ben je vrouw, Kees. Geen handbagage. Je kunt niet alvast vertrekken en hopen dat ik emotioneel wel achter je aan kom.”
Hij ging zitten. Echt zitten, alsof zijn benen hem ineens niet meer hielden.
“Ik dacht dat ik ons iets gaf,” zei hij zacht.
“En ik dacht dat jij zag wat je van me afpakte.”
We hebben die avond voor het eerst echt gepraat. Niet over Frankrijk, maar over ouder worden. Over de angst dat je leven kleiner wordt. Bij hem voelde die angst als stilstand. Bij mij als verlies. Dat zijn niet dezelfde dingen, kwam ik achter.
Het huis is uiteindelijk nog niet verkocht. Kees heeft de verkoop stopgezet. Voor nu. Hij zegt dat hij boos is dat het zover moest komen. Ik ben ook boos. En verdrietig. En ergens schuldig, ja.
Onze vrienden weten het inmiddels. De meningen zijn verdeeld, geloof me. De één vindt dat ik zijn droom tegenhoud. De ander zegt dat Kees veel te ver is gegaan. Vrijdagavond zitten we nog steeds aan tafel, maar er hangt iets nieuws in de lucht. Alsof iedereen wacht op onze uitslag.
Misschien is dat nog het pijnlijkst: dat mensen zo makkelijk zeggen dat je moet springen, zolang zij zelf op de veilige kant blijven staan.
Ben ik laf omdat ik wil vasthouden wat mij draagt? Of is het juist laf om iemands angst weg te zetten als iets waar ze maar overheen moet stappen?
Ik weet het oprecht niet. Wat zouden jullie doen, als liefde twee totaal verschillende richtingen op trekt?