Na haar scheiding namen we mijn beste vriendin in huis, maar na zes maanden stond mijn huwelijk op springen
“Ze gaat weg, Marjan. Desnoods vandaag nog.”nnHenk zei het zo hard dat zelfs de lepeltjes in de la rinkelden toen hij die dichtgooide. Ik stond met mijn handen in het sop en voelde mijn maag samenknijpen. In de woonkamer zat Anja op haar vaste plek aan de eettafel, met haar leesbril op en haar telefoon in de hand, alsof ze het niet hoorde. Maar ze hoorde het wel. Dat zag ik aan haar kaak.nnZes maanden geleden hadden we nog geproost op ons pensioen. Eindelijk rust. Eindelijk genieten van het huis waar we twintig jaar voor hadden kromgelegen. Nieuwe keuken, openslaande deuren naar de tuin, een lichte logeerkamer die ik voor mezelf wilde gebruiken om te schilderen. We noemden het lachend ons beloningshuis. Nou, dat lachen was ons intussen wel vergaan.nnAnja ken ik al sinds mijn zesentwintigste. We kregen tegelijk kinderen, zaten samen langs de lijn bij voetbal, dronken wijn op campingstoeltjes tijdens buurtbarbecues. Ze was altijd die vriendin die overal doorheen praatte, die overal iets van vond, maar ook degene die om elf uur ’s avonds nog kwam als je in tranen zat. Dus toen haar huwelijk klapte en ze daarna ook haar huurhuis kwijtraakte omdat de verkoop van hun gezamenlijke woning vastliep, kon ik toch moeilijk zeggen: zoek het uit?nnWe maakten afspraken. Drie maanden. Maximaal. Een overbrugging, meer niet. Ze zou meebetalen aan boodschappen en gas en licht. Henk was toen al terughoudend.nn”Marjan, tijdelijk is tijdelijk,” had hij gezegd.nnIk zei: “Natuurlijk. Drie maanden, echt.”nnIk geloofde dat ook.nnDe eerste weken ging het nog. Ze was dankbaar, ruimde af, kocht af en toe kaas en vleeswaren bij de markt. Maar langzaam schoof alles op. Haar jas kwam aan onze kapstok te hangen alsof die er altijd had gehangen. Haar shampooflessen namen de hele rand van de douche over. Ze zat er ’s ochtends al als wij beneden kwamen, met de radio aan op NPO 1 en commentaar op alles. Op de politiek, op de buren, op mijn manier van koffiezetten. Kleine dingen. Irritante dingen.nnOnze avonden veranderden het meest. Henk en ik hadden juist zo uitgekeken naar die stille uren samen. Een serie kijken, glaasje wijn, beetje mopperen over de wereld. Nu zat Anja er bijna altijd bij. Als ik subtiel opstond om naar de slaapkamer te gaan, stond zij ook op.nn”Ik ben kapot, hoor,” zei ze dan, terwijl zíj vervolgens nog een half uur in de deuropening bleef praten.nnHenk werd stiller. Dat is bij hem gevaarlijk. Hij is geen man van schreeuwen, behalve als de emmer echt vol is. Hij trok zich terug in de schuur, ging eindeloos rommelen met gereedschap dat al prima hing. En ik? Ik liep de hele dag te schipperen. Tegen Anja vriendelijk doen. Tegen Henk begripvol. Intussen voelde ik mijn eigen huis uit mijn handen glijden.nnNa drie maanden had Anja nog niks. Ze had zich ingeschreven, reageerde op woningen, vertelde ze. Maar in onze gemeente was alles vastgelopen. Te duur, te weinig, te veel gegadigden. Ik wist dat dat waar was. Iedereen weet hoe beroerd het is. Dus toen Henk begon over de deadline, zei ik: “Wat moet ze dan? In haar auto slapen?”nnHij keek me aan alsof ik hem verraadde. Misschien deed ik dat ook een beetje.nnDe ruzies begonnen zacht en werden daarna lelijk. In de keuken, in bed, zelfs fluisterend in de tuin, alsof de hortensia’s geen oren hadden.nn”Je kiest haar boven mij,” beet Henk me op een avond toe.nn”Doe niet zo belachelijk.”nn”Belachelijk? Ik woon in mijn eigen huis als gast, Marjan.”nnDat kwam binnen. Omdat het waar was.nnHet kantelpunt kwam op een zondagmiddag. We zaten aan de erwtensoep en Anja zei heel luchtig: “Misschien moeten we gewoon praktisch gaan denken. Ik zou best permanent kunnen blijven, als ik wat meer betaal. Voor jullie is het ook fijn, extra geld. En ik ben er toch al.”nnIk verstijfde echt. Henk legde zijn lepel neer. Heel rustig. Te rustig.nn”Nee,” zei hij.nnAnja lachte onzeker. “Nee, ik bedoel alleen maar, gezien de woningmarkt…”nn”Ik zei nee.”nnEr viel zo’n stilte waar je hartslag luid van wordt.nnAnja werd rood. “Nou, je hoeft niet te doen alsof ik hier gratis luxe zit te genieten. Ik betaal mee, ik help, en ik heb ook niet om deze ellende gevraagd.”nnHenk schoof zijn stoel naar achteren. “En wij wel? Wij hebben ook niet gevraagd om een huisgenoot op onze oude dag.”nnIk zei nog: “Henk, alsjeblieft…”nnMaar het was al te laat. Anja begon te huilen. Niet zachtjes. Van die boze tranen. Ze riep dat echte vrienden je niet laten vallen als het moeilijk wordt. Dat zij voor mij hetzelfde zou doen. En misschien is dat zo. Of misschien zeg je dat pas makkelijk als je niet degene bent die zijn huwelijk ziet verschuiven in je eigen woonkamer.nnDie avond sliep Henk beneden op de bank. Anja deed haar deur dicht, voor het eerst sinds ze er was. En ik zat op de rand van mijn bed en dacht: hoe heb ik dit zo uit de hand laten lopen? Door goed te willen zijn? Door laf te zijn? Er zit soms maar één misstap tussen die twee.nnDe volgende ochtend zei Henk dat hij haar nog vier weken gaf. Daarna zou hij zelf elders gaan zitten als ik weer zou toegeven. Dat deed meer pijn dan ik had verwacht. Niet eens de dreiging. Meer het feit dat hij het meende.nnIk heb die middag met Anja aan tafel gezeten. Zonder omwegen. Ik trilde ervan. Ik zei dat ik van haar houd, maar dat dit niet langer gaat. Dat we haar gaan helpen zoeken, bellen, desnoods tijdelijk naar een vakantiepark of antikraak, maar dat ze uit ons huis moet. Ze keek me aan alsof ik haar uit een rijdende trein duwde.nnSindsdien is het koud in huis. Niet letterlijk. Juist dat niet. De verwarming draait, de pannen pruttelen, de dagen gaan door. Maar de warmte is weg. En ik weet nog steeds niet of ik een slechte vriendin ben, of eindelijk een goede vrouw voor mijn eigen man.nnHoe lang moet je jezelf wegcijferen om menselijk te blijven? En wanneer wordt loyaliteit gewoon zelfverraad?