Ik dacht dat vriendschap alles kon dragen, tot onze vakantie een verraad werd genoemd
“Jullie gaan wát?” zei Ingrid, met haar hand nog om de theedoek geklemd alsof ze iets moest vasthouden om niet om te vallen. “Een midweek naar Texel? Nu?”
Ik stond bij het aanrecht met twee mokken koffie die ineens belachelijk leken. Naast mij keek Kees naar de vloer. In de woonkamer zat Hans voor de televisie, al zeker tien minuten naar een zwart scherm te staren. Hij had niet eens gemerkt dat het apparaat uit stond.
“Ingrid, luister nou even,” begon ik.
“Nee, jij moet luisteren, Marjan. Wij verzuipen hier. En dan gaan jullie lekker uitwaaien?”
Dat woord, lekker. Alsof het om een luxe grapje ging. Alsof die vier dagen weg niet maanden van twijfelen hadden gekost.
We kennen Ingrid en Hans al sinds onze dertigste. Kamperen in Zeeland met kleine kinderen, oud en nieuw in elkaars woonkamer, de eerste grijze haren, de bruiloften van de kinderen, de begrafenis van mijn moeder. Alles. Altijd gelijkwaardig. Als Kees met zijn knie zat, reed Hans hem naar het ziekenhuis. Toen Ingrid haar baan verloor, heb ik haar geholpen met sollicitatiebrieven. Zo was het altijd.
Tot vorig jaar.
Hans begon rare dingen te doen. Eerst klein. Zijn pinpas in de koelkast. Drie keer hetzelfde verhaal op één avond. Een pan droog koken. We lachten het weg, in het begin. “Worden we oud, jongen,” zei Kees nog. Maar de lach verdween snel.
Er kwam een diagnose. Beginnende dementie.
Sindsdien is Ingrid veranderd. Begrijpelijk ook, ergens. Ze is moe op een manier die je in haar gezicht ziet hangen. Alsof haar huid zwaarder is geworden. Hun kinderen wonen allebei in Canada. Fijn voor hun carrière, minder fijn als je man ineens niet meer weet hoe een voordeur open moet.
Eerst vroegen ze af en toe hulp.
“Kun jij donderdag even bij Hans blijven als ik naar de tandarts moet?”
Natuurlijk.
Toen werd het: twee ochtenden per week boodschappen doen, medicijnen klaarleggen, even stofzuigen omdat Ingrid er niet aan toekwam. Daarna kwam er een schema. Maandag, woensdag en vrijdag. Van negen tot vier, ongeveer. “Anders trek ik het niet,” zei Ingrid.
En daar ging het mis, denk ik. Niet op één groot dramatisch moment. Gewoon langzaam. Bijna gemeen langzaam.
Onze eigen afspraken vielen weg. Mijn aquagym zei ik af. Kees sloeg zijn biljartmiddag over. Een lunch met mijn zus? Lastig. Een dagje naar Haarlem? Kon niet. Altijd eerst kijken hoe het bij Hans en Ingrid uitkwam.
Ik weet nog dat ik op een vrijdagmiddag thuiskwam en gewoon in de gang ben gaan zitten. Jas nog aan. Tas naast me. Kees kwam binnen met een wasmand van Hans en Ingrid, die Ingrid “toch nog even” had meegegeven.
Hij zei: “Wij zijn ons leven kwijt, Marjan. Zeg ik nou iets heel ergs?”
Ik zei niets, want ik dacht precies hetzelfde.
Toch bleef dat schuldgevoel knagen. Want wat moet Ingrid dan? Hans kan ineens boos worden. Of de straat op lopen. Laatst noemde hij mij bij de naam van zijn zus, die al twintig jaar dood is. Daarna keek hij me aan en zag ik heel even paniek. Alsof hij zelf ook voelde dat er iets uit zijn handen glipte.
Op een avond hebben we voorzichtig gezegd dat het zo niet langer ging.
“Misschien is het tijd voor thuiszorg,” zei Kees. Heel rustig. “Of een casemanager dementie. Iemand die met jullie kan meedenken.”
Ingrid trok haar schouders op alsof ze een klap kreeg.
“Dus we schuiven Hans door naar vreemden?”
“Dat zeggen we niet,” zei ik. “We zeggen alleen dat dit te veel wordt. Ook voor jou.”
“Voor mij?” Ze lachte kort, scherp. “Jullie gaan gewoon naar huis na zo’n dag. Ik blijf hier. Altijd. Maar jullie vinden drie dagen helpen al zwaar. Nou, gefeliciteerd.”
Ik voelde mijn wangen warm worden. “Dat is niet eerlijk. We doen echt alles wat we kunnen.”
“Blijkbaar niet genoeg. Echte vrienden laten je toch niet stikken?”
Dat bleef hangen. Echte vrienden.
Alsof vriendschap pas bewezen is als je jezelf opbrandt.
De vakantie naar Texel had Kees stiekem al in februari genoemd. “Vier nachten maar,” zei hij. “Even niks. Alleen fietsen, slecht weer, vis eten.”
Ik had toen nog gezegd: “Laten we eerst zien hoe het loopt met Hans.” Alsof ik toestemming moest vragen aan een ziekte die niet van ons was.
Toen we het eindelijk boekten, voelde het al ongemakkelijk. En ja hoor, toen Ingrid het hoorde, kwam de uitbarsting in onze keuken.
“Jullie kiezen dus voor jezelf,” zei ze. Haar stem trilde. Van woede, maar ook van pure uitputting. “Moet ik Hans dan maar alleen laten dwalen terwijl jullie op een terras zitten?”
Kees keek haar eindelijk aan. “Nee. Jij moet hulp accepteren. Van mensen die hiervoor opgeleid zijn. Van je kinderen desnoods. Maar niet blijven doen alsof wij de oplossing zijn. Dat zijn we niet.”
Er viel een stilte waar zelfs Hans onrustig van werd. Vanuit de woonkamer riep hij: “Ingrid? Gaan we nog naar huis?”
We waren al bij hem thuis.
Ingrid sloeg haar hand voor haar mond. Heel even zag ik niet de verwijtende vriendin, maar gewoon een vrouw die kapot was. Ik liep naar haar toe, maar ze deed een stap achteruit.
“Laat maar,” zei ze. “Ik weet genoeg.”
Sindsdien is het koud. Appjes blijven kort. Soms helemaal stil. Hun dochter belde uiteindelijk vanuit Toronto, na aandringen van Kees. Er is nu een intake geweest voor thuiszorg. Ingrid heeft daar niet eens zelf over verteld.
Ik mis haar. Dat is misschien nog het rotste. Ik ben niet alleen boos. Ik ben ook verdrietig, omdat iets wat veertig jaar vanzelfsprekend voelde ineens voorwaardelijk blijkt. Alsof onze vriendschap alleen echt was zolang wij bleven geven.
We gaan volgende week alsnog naar Texel. En ik voel me daar nog steeds schuldig over. Hoe krom is dat?
Waar ligt de grens dan? Wanneer ben je een goede vriend, en wanneer laat je jezelf verdwijnen terwijl iedereen doet alsof dat liefde is?
Ik vraag het me echt af. Wat hadden jullie gedaan als vriendschap langzaam zorgplicht werd, en nee zeggen voelde als verraad?