Mijn beste vriendin hielp ons toen mijn man ziek werd, maar nu durf ik haar bijna niet meer uit mijn huis te zetten
“Nee, Henk krijgt vanmiddag geen bezoek. Hij moet rusten, dat hebben wij toch afgesproken?” zei Marjan, terwijl ze mijn eigen keukenkastje opendeed alsof het háár huis was.
Ik stond met een natte theedoek in mijn handen en keek haar aan. Achter haar zat Henk in zijn stoel bij het raam. Hij was mager geworden in drie maanden tijd. Zijn gezicht stond grijs tegen het kussen. Hij keek niet eens op. Dat deed misschien nog wel het meeste pijn.
“Wij hebben dat niet afgesproken,” zei ik. “Mijn zus Anja komt. Henk wil haar graag zien.”
Marjan zuchtte hard. “Jolanda, je denkt nu niet helder. Anja maakt hem onrustig. En Piet en ik zijn hier elke dag, wij zien wat goed voor hem is.”
Elke dag. Precies dat was het probleem geworden.
Piet en Marjan wonen twee straten verderop. Henk en ik kennen hen sinds 1987, toen we tegelijk in onze nieuwbouwwoningen in Purmerend kwamen wonen. Onze kinderen groeiden samen op. We gingen jaren naar dezelfde camping in Drenthe, zaten op zaterdagavond aan elkaars tafel en vierden zelfs oud en nieuw altijd met z’n vieren. Toen onze kinderen volwassen waren en hun eigen leven kregen, bleven wij over. Niet zielig, gewoon vertrouwd.
Toen Henk na een benauwdheid op de spoedeisende hulp belandde en later de diagnose longkanker kreeg, waren Piet en Marjan er meteen. Nog voordat ik zelf begreep wat de arts had gezegd, stond Marjan met een pan macaroni voor de deur.
“Jij hoeft nu even helemaal niks,” zei ze en ze sloeg haar armen om me heen.
Ik heb toen gehuild tegen haar jas. Ik was oprecht dankbaar.
De eerste weken redde ik het niet alleen. Henk was misselijk van de kuren, ik sliep nauwelijks en raakte al in paniek van een boodschappenlijstje. Piet bracht Henk naar het ziekenhuis als ik moest werken bij de bloemist. Marjan stofzuigde, kookte soep en zette wasjes aan. Ze deden het uit liefde, daar geloof ik nog steeds in.
Maar liefde kan blijkbaar ook te strak gaan zitten.
Marjan begon een schrift op het aanrecht. Daarin schreef ze op hoe laat Henk zijn medicijnen nam, wat hij gegeten had en wie er belde. Handig, vond ik eerst. Daarna zette ze er ook afspraken in zonder het te vragen. De wijkverpleegkundige werd door haar gebeld. De huisarts ook.
Toen de longarts vertelde dat Henk misschien nog een zwaardere behandeling kon proberen, zei Piet in de spreekkamer: “Dat moeten we niet doen. Henk is geen type voor al dat medische gedoe.”
Ik voelde mijn wangen branden.
“Henk mag dat zelf zeggen,” zei ik.
Piet keek me aan alsof ík onredelijk was. “Wij kennen hem ook al veertig jaar, Jolanda.”
Henk zei niets. Hij zat met zijn handen om zijn pet geklemd en staarde naar de vloer. Later in de auto fluisterde hij: “Ik heb geen energie voor gedoe.”
En dus werd het gedoe van mij.
Ze hadden een sleutel, al jaren. Ooit voor noodgevallen. Nu hoorde ik om half negen soms de voordeur opengaan zonder dat er gebeld werd. Marjan kwam binnen met haar boodschappentas, zette koffie en zei wat er die dag moest gebeuren. Piet verschoof meubels omdat Henk volgens hem beter bij de televisie kon zitten. Als ik zei dat ik iets zelf wilde doen, kreeg ik die blik. Die gekwetste, stille blik.
Vorige week heb ik eindelijk gezegd dat ik twee dagen per week geen bezoek wilde. Gewoon Henk en ik. Misschien samen zwijgen, misschien een boterham eten zonder dat iemand vraagt hoeveel hij op heeft.
Marjan begon te huilen.
“Na alles wat wij voor jullie doen,” zei ze. “Piet heeft vrije dagen opgenomen. Ik heb mijn yogales opgezegd. Wij laten jullie toch niet vallen?”
“Ik vraag niet of jullie ons laten vallen,” zei ik. Mijn stem trilde, maar ik ging door. “Ik vraag of jullie mij weer even zijn vrouw laten zijn. Niet iemand die toestemming moet vragen in haar eigen huis.”
Piet stond bij het raam, met zijn armen over elkaar. “Dus we zijn ineens lastig.”
“Nee. Jullie zijn te dichtbij gekomen.”
Daarna werd het heel stil. Marjan pakte haar tas. Ze liet de sleutel op tafel vallen, zo hard dat Henk ervan schrok.
“Bel maar als je ons weer nodig hebt,” zei ze.
Sindsdien is het huis leger dan ik had verwacht. Geen pannetjes soep, geen voetstappen in de gang, geen berichten met vraagtekens. Maar ook geen Piet die Henk even aan het lachen krijgt met zijn flauwe grappen. Henk mist hem, dat zie ik. En ik mis Marjan ook. Of misschien mis ik vooral wie we vroeger waren.
Ik wil niet ondankbaar zijn. Echt niet. Maar hulp die je geen ruimte laat om adem te halen, is dat nog hulp?
Zou jij opnieuw contact zoeken en je excuses maken, of is een grens pas echt een grens als je hem durft vast te houden?