We verkochten ons huis voor een nieuw leven met onze beste vriendin, maar twee jaar later voelde onze vriendschap als een tweede huwelijk waar we niet meer uit konden ademen

‘Dus jullie willen vrije dagen van míj?’

Anja stond in onze deuropening met haar jas nog aan, haar sleutels in haar hand geklemd alsof ze zich ergens aan moest vasthouden. Haar stem sloeg over bij dat laatste woord. Naast me zuchtte Kees heel zacht, zo’n zucht die ik na veertig jaar huwelijk meteen herken: niet boos, wel op.

‘Anja, zo moet je het niet zeggen,’ zei ik. ‘We willen gewoon ook avonden voor onszelf.’

Ze lachte kort. Hard. Zonder humor.

‘Voor jezelf? We zijn hier toch juist samen aan begonnen?’

Op dat moment wist ik: dit gesprek, waar ik al weken buikpijn van had, ging alles veranderen.

Twee jaar eerder voelde het nog als een dappere, verstandige stap. Kees en ik waren net zestig geworden. De kinderen waren al jaren de deur uit. Ons grote huis in Amersfoort voelde ineens belachelijk ruim. Drie slaapkamers leeg, een tuin waar Kees zijn rug op brak, trappen waar ik steeds vaker over mopperde. En dan Anja, onze vriendin sinds de middelbare school, die haar man Bart had verloren en in een stil rijtjeshuis zat waar de klok hoorbaar tikte.

We zeiden tegen elkaar: dit is Nederland nu ook, toch? Minder alleen, wat meer samen. Geen dramatisch bejaardenhuisbeeld, maar een modern seniorencomplex in Utrecht, met een gezamenlijke binnentuin, koffieochtenden, een logeerkamer voor familie en een hobbyruimte waar altijd iemand zat te puzzelen of te zeuren over de VvE.

We kochten geen woning samen, zo gek waren we nou ook weer niet. Drie appartementen op dezelfde verdieping. Dichtbij genoeg om naar elkaar om te kijken. Ver genoeg voor een eigen voordeur. Dat was het idee.

In het begin was het eerlijk gezegd heerlijk. Anja schoof vaak aan voor het eten. Wij bij haar voor koffie. Op vrijdag een wijntje in de gemeenschappelijke ruimte. Zondag samen wandelen langs de singel. Als iemand een rotdag had, hoefde je alleen maar even te appen: ben je thuis?

Ik was oprecht blij. Ook om haar. Ze lachte weer meer. Ze kocht andere gordijnen. Ze maakte grapjes. Soms dacht ik: zie je wel, we hebben dit goed gedaan.

Maar ergens in het tweede jaar verschoof er iets. Niet ineens. Eerder druppelsgewijs.

Eerst stond Anja elke avond rond half zes voor de deur. ‘Zal ik de aardappels schillen?’ zei ze dan, al had ik helemaal niet gevraagd of ze kwam eten.

Daarna kwamen de weekenden. Als wij zeiden dat we naar vrienden in Zwolle gingen, viel er een stilte.

‘Oh. Gezellig,’ zei ze dan. ‘Dan red ik me wel.’

Dat red ik me wel bleef de rest van de dag aan me kleven als natte kou.

Kees zag het eerder dan ik. ‘Ze claimt ons, Marjan.’

‘Ze is gewoon alleen.’

‘Ja,’ zei hij. ‘Maar wij hoeven toch niet haar hele leven te worden?’

Ik werd boos toen hij dat zei. Niet op hem, meer omdat ik wist dat hij gelijk had. En daar schaamde ik me voor. Anja had geen grote familie. Een nicht in Assen die eens per paar maanden belde. Een oude buurvrouw die zelf slecht ter been was. Wij waren haar vaste kring geworden.

Alleen werd dat kringetje steeds kleiner, steeds strakker.

Als ik op woensdag naar yogales ging met Ria en Ineke, stuurde Anja om kwart over acht al een bericht: Ben je nog lang weg?

Als Kees en ik een avond televisie wilden kijken, belde ze aan ‘omdat ze zich ineens zo leeg voelde’.

En als we een keer niet opnamen, stond ze tien minuten later in de gang.

Niet hysterisch, niet dramatisch op een filmachtige manier. Juist niet. Dat maakte het zo lastig. Ze was verdrietig, stil, teleurgesteld. Ze ging op de bank zitten met haar handen om haar mok en zei dingen als: ‘Ik had me zó verheugd op vanavond.’

Wat zeg je dan? Ga weg?

Dus we bleven schuiven. Nog een avond samen. Nog een zondag erbij. Nog een etentje afzeggen. Tot ik op een ochtend wakker werd met hartkloppingen omdat ik haar appje al verwachtte.

Dat was het moment dat ik dacht: dit gaat fout.

We hebben het netjes geprobeerd. Echt. Kees en ik zijn niet koud. We zijn gaan zitten aan onze eettafel, met koffie en boterkoek, alsof het dan zachter zou landen.

‘We willen iets afspreken,’ begon Kees. ‘Gewoon voor duidelijkheid. Twee avonden per week en één dag in het weekend houden Marjan en ik voortaan voor onszelf.’

Anja keek eerst alleen maar.

‘Voor jezelf,’ herhaalde ze toen.

‘Ja,’ zei ik voorzichtig. ‘Dat betekent niet dat we je laten vallen. We willen alleen ook ruimte houden voor andere mensen, en voor elkaar. Soms willen we gewoon niks.’

Ze werd rood in haar hals, iets wat ze vroeger ook al had als ze zich geraakt voelde.

‘Dus nu ik jullie meer nodig heb, komen jullie met een rooster.’

‘Zo is het niet,’ zei ik.

‘Nee? Hoe is het dan wel, Marjan? We hebben ons huis en ons leven hierop ingericht. Jullie zeiden: we doen dit samen. Samen tegen de eenzaamheid. En nu is het ineens: niet op dinsdag en niet in het weekend?’

Kees schoof zijn stoel naar achteren. Niet hard, maar toch scherp genoeg dat ik ervan schrok.

‘Anja, samen is niet hetzelfde als altijd.’

Ze keek hem aan alsof hij haar geslagen had.

Die avond ging ze weg zonder haar koffie op te drinken. Sindsdien is alles anders in de gang hier. Haar deur blijft vaker dicht. Als we elkaar tegenkomen bij de lift is ze beleefd, maar vlak. Laatst hoorde ik van een buurvrouw dat Anja had gezegd dat wij ‘ook gewoon aan zelfbehoud doen, zoals iedereen’. Dat deed pijn, juist omdat het waar klonk en tegelijk zo gemeen voelde.

Ik slaap er slecht van. Kees zegt dat grenzen stellen geen verraad is. Ik wil hem geloven. Maar als ik ’s avonds haar televisie door de muur heen hoor, dat doffe geluid in een verder stille gang, voel ik me alsnog schuldig.

We wilden eenzaamheid samen kleiner maken. Wanneer is dat veranderd in elkaar vasthouden tot iemand geen lucht meer krijgt?

Zeg het maar eerlijk: zijn wij te hard geworden, of vraagt vriendschap op onze leeftijd juist ook om het lef om nee te zeggen?