“Dus onze veertig jaar vriendschap is ineens minder waard dan jullie camper?” hoorde ik hem zeggen, en ik voelde iets in mij breken
“Dus onze veertig jaar vriendschap is ineens minder waard dan jullie camper?”
Henk zei het niet hard, maar juist dat zachte, verbeten toontje kwam harder binnen dan geschreeuw. Ik stond in zijn keuken met een theedoek in mijn hand, naast een aanrecht vol vieze mokken, en ik keek naar Marjan die bij het raam stond en met een leeg gezicht naar buiten staarde alsof niemand van ons er nog echt was.
Ik voelde mijn man Kees naast me verstijven.
“Zo moet je het niet brengen,” zei hij. “Dat is gewoon niet eerlijk.”
Maar eerlijk. Wat was er nog eerlijk aan de afgelopen maanden?
Marjan en ik kennen elkaar sinds 1983. We kregen tegelijk kinderen, deelden oppasadressen, kerstborrels, campingvakanties in Zeeland, de ellende van ontslagen, schoonouders, verbouwingen. Er was altijd dat vanzelfsprekende: wij horen bij elkaar. Zelfs toen we elkaar soms weken niet zagen, was er niks weg.
Tot vorig najaar.
Toen begon Marjan dingen te vergeten. Eerst nog om te lachen. De suikerpot in de koelkast. Haar leesbril in de broodtrommel. Toen vergat ze ineens dat haar kleindochter jarig was geweest. Daarna wist ze op een avond mijn naam niet meer. Ze keek me aan en zei: “Jij woont toch naast die slager?” Ik woon al dertig jaar in Almere. Er is daar niet eens een slager naast mijn huis.
Na de diagnose veranderde Henk in een paar weken van vriend in een opgejaagde mantelzorger met wallen, trillende handen en een glimlach die niet meer landde.
“Eén vaste dag,” zei hij voor het eerst aan onze eettafel. “Meer vraag ik niet. Gewoon elke woensdag. Dat jullie er zijn. Koffie zetten, een beetje opletten, misschien koken. Dan kan ik werken, slapen, dingen regelen.”
Ik keek naar Kees. We waren net drie maanden met pensioen. Drie maanden. We hadden voor het eerst in ons leven een agenda die niet vol zat met moeten. We wilden in april een week naar Drenthe, in juni met de camper naar Frankrijk, gewoon dwalen, eindelijk eens niet op de klok leven.
“Tuurlijk helpen we,” zei Kees meteen. En dat wilde ik ook. Echt.
Dus we begonnen.
De eerste woensdag was nog te doen. De tweede werd zwaar. De derde voelde ik al op dinsdag in mijn buik.
Marjan raakte onrustig als Henk wegging. Ze liep achter hem aan naar de voordeur als een kind dat bang is om achtergelaten te worden.
“Henk? Henk? Ga je werken? Waarom ga je werken?”
Dan moest ik haar arm pakken.
“Kom, we gaan koffie drinken.”
Soms keek ze me aan alsof ik loog.
Ze liet het gas aanstaan. Ze wilde naar “haar moeder”, die al twintig jaar dood was. Een keer duwde ze me weg toen ik haar jas weghaalde omdat ze in haar nachtjapon naar buiten wilde.
“Blijf van me af!” riep ze. “Dit is mijn huis niet.”
Ik ben 64, geen hulpverlener. Ik schaamde me bijna dat ik dat dacht, maar het was wel zo. Na zo’n dag kwam ik thuis en kon ik niks meer hebben. Geen televisie. Geen bezoek. Niet eens Kees die vroeg wat we zouden eten.
“Ik trek dit niet goed,” zei ik op een avond. Ik zat op de rand van ons bed mijn sokken uit te doen en ik begon ineens te huilen. Zo dom, zo plotseling. “Ik slaap er slecht van. Ik ben de hele tijd gespannen.”
Kees zuchtte en ging naast me zitten.
“Ik weet het. Maar Henk redt het anders niet.”
“Dan moet er professionele hulp komen.”
Die zin hebben we daarna nog honderd keer herhaald.
Henk wilde er niks van horen.
“Een vreemde in huis? Die komt lijstjes afwerken en weer weg. Marjan heeft mensen nodig die echt om haar geven.”
“Dat sluit elkaar toch niet uit?” zei ik. “Vrienden kunnen vrienden blijven. Maar dit is zorg, Henk. Structurele zorg.”
Hij sloeg met zijn vlakke hand op tafel. Niet hard, maar ik schrok toch.
“Altijd als het moeilijk wordt in dit land, moet meteen een instantie het oplossen. Vroeger deden mensen nog iets voor elkaar.”
Ik voelde me meteen klein en gemeen, alsof ik Marjan persoonlijk afwees.
Toch gingen we door. Nog een paar weken. Omdat je hoopt dat het tijdelijk is. Omdat je denkt: even volhouden. Omdat schuld een rare motor is.
Maar tijdelijk werd al snel vanzelfsprekend. Woensdag werd van Henk. Onze agenda hield er rekening mee. Onze plannen ook. Toen Kees voorzichtig zei dat we misschien in mei een lang weekend weg wilden, keek Henk hem aan alsof hij iets obsceens had gezegd.
“Serieus? In deze situatie?”
Daarna kwam die opmerking over de camper. Over veertig jaar vriendschap.
Ik weet nog dat ik de theedoek neerlegde en eindelijk iets terugzei waar ik weken mee had gelopen.
“Je doet nu alsof wij je iets verschuldigd zijn waar nooit een einde aan komt.”
Het werd stil. Zelfs Marjan keek even op.
Henk trok wit weg.
“Verschuldigd?” zei hij. “Nee hoor, laat maar. Ik snap het al. Zolang het gezellig was, waren we vrienden. Nu het echt ergens over gaat, kiezen jullie voor jezelf.”
Kees werd boos. Echte, zeldzame Kees-boosheid.
“Ja,” zei hij. “Ook. Natuurlijk kiezen wij óók voor onszelf. Moet dat verboden zijn? We zijn geen zorginstelling. We zijn jullie vrienden.”
Henk lachte toen. Kort, bitter. “Mooie vrienden.”
We zijn weggegaan zonder koffie te drinken. Dat is in veertig jaar niet gebeurd.
Nu zijn we drie weken verder. Geen appjes. Geen belletje. Alleen stilte, en die voelt zwaarder dan ruzie. Ik mis Marjan. Ik mis zelfs de oude Henk, die altijd te veel bitterballen bestelde en te hard lachte om zijn eigen grappen. Maar ik mis mezelf ook, als ik eerlijk ben. De versie van mij die niet constant op scherp stond.
Misschien zijn we hard geweest. Misschien juist te laat. Ik weet het oprecht niet meer.
Wat doe je als iemand jouw loyaliteit meet aan hoeveel van jezelf je opgeeft? En ben je een slechte vriend als je zegt: tot hier, verder niet?