Mijn beste vriendin herkende me nog, maar mijn man zei dat we kapotgingen aan haar zorg
“Je kunt me toch niet laten stikken, Marjan?” zei Kees aan de telefoon. Ik hoorde op de achtergrond een lade open en dicht slaan, toen de stem van Els, dun en onrustig: “Waar is mijn moeder nou? Ik moet naar huis.” Mijn hand trilde zo erg dat ik mijn koffiekopje omstootte op het aanrecht. Het was half negen ’s ochtends. Henk stond naast me in zijn wandelbroek, klaar om naar de duinen te gaan, en keek me alleen maar aan. Hij wist het meteen.
Kees en Els zijn al meer dan dertig jaar onze beste vrienden. We kampeerden samen in Zeeland, deden elke winter een museumdag, pasten op elkaars katten, vierden oud en nieuw met zelfgemaakte huzarensalade en te veel wijn. Het was altijd gelijkwaardig. Als Henk een bypass kreeg, reed Kees drie weken lang met me mee naar het ziekenhuis. Toen Els haar zus verloor, zat ik avonden bij haar op de bank zonder iets te zeggen. Zo waren we met elkaar.
Maar sinds anderhalf jaar is Els aan het veranderen. Eerst vergat ze afspraken. Toen zette ze thee in de koelkast. Daarna begon ze me soms met haar schoonzus te verwarren. De huisarts noemde het “een beginnende vorm van dementie”. Alsof dat zachter klinkt als je er een verkleinwoord van maakt.
In het begin deden we wat vanzelf voelde. Ik ging vaker langs. Henk repareerde een klemmende achterdeur, Kees kon zijn hoofd er niet meer bij houden. We namen Els mee naar de markt in Alkmaar, lieten haar bloemen uitzoeken, dronken koffie met appeltaart. Soms had ze een heldere dag en kneep ze in mijn hand. “Wat fijn dat jij er altijd bent,” zei ze dan. Dan brak ik al een beetje.
Alleen werd “altijd” ineens wel heel letterlijk.
Kees begon steeds vaker te bellen. Of ik dinsdag kon komen, want Els wilde niet douchen. Of wij donderdagmiddag konden blijven zodat hij even kon slapen. Of Henk zaterdag mee kon, omdat Els boos werd als Kees haar jas aangaf maar rustig bleef bij Henk. Ik snapte het. Echt. Ik hoorde de wanhoop in zijn stem. Maar ik hoorde thuis ook iets anders.
“Marjan, dit gaat zo niet,” zei Henk op een avond. Hij zette zijn bril af en wreef in zijn ogen. “We zijn net een jaar met pensioen. We zouden fietsen. Naar Drenthe, weet je nog? Een paar weken weg. Een cursus fotografie. Gewoon… leven. En nu plannen we alles om hun chaos heen.”
“Hun chaos?” beet ik hem toe. “Het gaat om Els. Om Kees. Ze vragen dit niet voor hun lol.”
Hij sloeg met vlakke hand op tafel, niet hard, maar hard genoeg. “En wij dan? Mogen wij ook nog bestaan? Of moeten we wachten tot we zelf omvallen?”
Ik haatte hem op dat moment. Of nee, dat is te groot, maar ik was zó boos. Omdat hij iets zei waar ik zelf ook bang voor was.
De week daarna ging het mis. Ik was er op woensdagmiddag. Els zat in haar vest met één mouw binnenstebuiten en keek steeds naar de voordeur. “Komen jullie morgen ook?” vroeg ze voor de derde keer.
Ik zei voorzichtig dat we vrijdag misschien kwamen, omdat Henk donderdag naar zijn broer ging.
Ze trok haar hand terug alsof ik haar had gestoken. “Dus je laat me alleen?”
“Nee, Els, Kees is er toch gewoon.”
“Jullie komen altijd. Marjan liegt niet.” Haar onderlip begon te trillen. Ik had haar in jaren niet meer zo gezien. Niet eens toen haar vader stierf.
Kees stond in de keuken en zei later, heel zacht, bijna beschamend: “Ze vraagt elke ochtend naar jullie. Als ik zeg dat jullie niet komen, wordt ze onrustig. Dan loopt ze te zoeken. Soms uren. Ik trek dat niet meer.”
Die avond barstte alles open thuis.
“Ze voelt zich afgewezen,” zei ik. “Door ons. Snap je hoe erg dat is?”
Henk lachte kort, vermoeid, zonder humor. “Door ons? Marjan, zij is ziek. Kees projecteert alles op ons omdat hij wanhopig is. Dat is verschrikkelijk, maar het betekent niet dat wij de thuiszorg moeten worden.”
“Dus we laten ze vallen? Na alles?”
“Nee,” zei hij. “We helpen. Maar niet ten koste van alles. Er is casemanagement dementie, dagopvang, thuiszorg. Waarom moet liefde altijd bewijzen dat ze zichzelf opbrandt?”
Dat zinnetje bleef hangen. Ik wilde het niet mooi vinden, maar het was raak.
Toch ging ik de volgende ochtend weer. En de ochtend daarna ook. Ik begon afspraken af te zeggen. Mijn schilderclub. Koffie met mijn zus. Zelfs onze wandelweekenden werden onzeker. Henk zei minder. Dat was erger dan ruzie. Hij trok zich terug in kleine stiltes. Als ik thuiskwam, zat hij soms al in bed met zijn rug naar mij toe.
De echte klap kwam op een zondag. Kees had gebeld of we wilden komen lunchen omdat Els “zo helder” was. We gingen. Zij keek ons stralend aan en zei: “Wat gezellig, eindelijk. Ik dacht al dat jullie ons ook in de steek lieten zoals de kinderen.” Hun dochter woont in Eindhoven, hun zoon in Zwolle. Ze komen wel, maar niet elke week. Ineens keek Kees niet meer op van zijn bord.
Henk legde zijn vork neer. Heel rustig. Veel te rustig.
“Els, we laten jullie niet in de steek. Maar we kunnen niet alles opvangen.”
Kees schoot overeind. “Niet alles? Ik vraag toch niet om alles? Ik vraag om een paar uur zodat ik kan ademen! Of is dat al te veel voor vrienden van dertig jaar?”
De kamer werd klein. Ik voelde mijn gezicht gloeien. Els begon te huilen zonder precies te weten waarom. Ze bleef maar zeggen: “Niet ruziën, niet ruziën.”
Toen zei Henk iets wat ik hem kwalijk nam, maar wat ook de waarheid was: “Als jij instort, Kees, helpen wij je overeind. Maar wij kunnen jouw vrouw niet van je overnemen. Dat moet je organiseren, hoe pijnlijk ook.”
We zijn die middag vroeg weggegaan. In de auto zei niemand iets. Thuis heb ik in de schuur staan huilen tussen de oude kampeerspullen.
Een week later ben ik alleen naar Kees gegaan. Ik heb met hem aan de keukentafel gezeten, tussen de pillendoosjes en een half ingevulde kalender. We hebben eindelijk niet als gekwetste vrienden, maar als twee bange oude mensen gepraat. Ik heb hem geholpen de casemanager terug te bellen. Er is nu dagbesteding geregeld voor twee dagen per week en iemand van de thuiszorg komt ’s ochtends.
Wij gaan nog steeds langs. Maar niet meer op afroep. Woensdagmiddag is van Els. Zondag koffie, als het lukt. Henk gaat soms mee, soms niet. Hij is geen hard mens. Hij was alleen eerder eerlijk dan ik.
En toch knaagt het. Als Els vraagt waarom ik morgen niet kom, voel ik me alsnog schuldig. Alsof grenzen ineens verraad zijn.
Hoe ver moet je gaan voor mensen van wie je houdt? En als je jezelf bewaart, ben je dan trouw aan je leven… of laat je iemand in de steek op het moment dat het er echt toe doet?