“Jullie laten ons gewoon vallen,” beet hij me toe — en ineens stond onze vriendschap van dertig jaar op breken
“Egoïstisch. Dat zijn jullie geworden. Vooral jij, Marijke.”
Het werd zo stil aan tafel dat ik de klok in de gang hoorde tikken. Mijn hand lag nog om de opscheplepel geklemd. De jus droop terug in de schaal. Aan de overkant zat Els met haar vork in de lucht, alsof ze vergeten was wat ze ermee moest. Of misschien was dat ook echt zo. Dat gebeurt de laatste tijd vaker.
“Jan,” zei mijn man Kees zacht, “doe normaal.”
Maar Jan was al te ver. Zijn gezicht rood, zijn servet naast zijn bord gegooid. “Normaal? Mijn vrouw raakt zichzelf kwijt en jullie hebben het druk met fietstochtjes en pottenbakken. Wat denk je zelf?”
Ik wou dat ik kon zeggen dat dit uit de lucht kwam vallen. Maar dat is niet waar.
Wij kennen Jan en Els al sinds begin jaren negentig. Kamperen in Drenthe, samen klaverjassen, later wandelen, koken, elke donderdag eten bij elkaar. Altijd gelijkwaardig. Nooit gedoe over wie wat deed. Els was de vrolijkste van ons vier. Chaotisch, ja, maar warm. Ze vergat vroeger ook al weleens een ovenschaal in de oven. Daar lachten we om.
Tot we er niet meer om lachten.
Eerst waren het kleine dingen. Els stelde drie keer dezelfde vraag. Ze raakte de weg kwijt naar het station in haar eigen woonplaats. Tijdens een etentje noemde ze mij ineens Anita. Ik heet Marijke. Jan maakte er grapjes over.
“Tja, ouderdom, we worden allemaal gek,” zei hij dan.
Maar ik zag de paniek in zijn ogen als zij even naar het toilet was.
De diagnose kwam vorig jaar: beginnende dementie. Ik weet nog dat Jan bij ons aan de keukentafel zat, met beide handen om een mok koffie die al lang koud was.
“Ik trek dit niet alleen,” zei hij. “Jullie zijn onze naasten. We doen alles al dertig jaar samen. Ik heb jullie nodig.”
Ik zei toen meteen: “Natuurlijk helpen we.”
En dat meende ik ook. Echt.
In het begin voelde het logisch. Een keer mee naar het ziekenhuis. Af en toe Els een middag bij ons, zodat Jan kon slapen of boodschappen doen. Kees deed Jan zijn belastingaangifte, want daar kwam hij niet meer uit. Ik belde mee met de huisarts, de casemanager, de apotheek. Er ging ongemerkt steeds meer tijd in zitten.
Jan begon niet meer te vragen, maar te rekenen op ons.
“Kun jij donderdag bij Els blijven? Ik heb fysio.”
“Kees, wil jij de bankzaken overnemen? Ik vertrouw het online gedoe niet.”
“Marijke, zet jij even die indicatieaanvraag door? Jij bent daar handiger in.”
Altijd even. Nooit even.
Ondertussen was ik net met pensioen. Voor het eerst in mijn leven had ik ruimte. Ik had me ingeschreven voor een keramiekcursus in Amersfoort, ik ging op dinsdag zwemmen, op vrijdag met twee oud-collega’s naar musea of gewoon koffie en taart. Kleine dingen misschien, maar ik had er jaren naar uitgekeken. Jaren.
En ineens voelde ik me schuldig over elk uur dat ik niet beschikbaar was.
Kees zag dat anders. “Dit is toch precies waar vriendschap voor is?” zei hij.
“Vriendschap, ja,” zei ik. “Maar geen onbetaalde fulltime zorgbaan.”
Hij zuchtte dan op zo’n manier dat ik me meteen klein voelde. “Je overdrijft. Jan verzuipt.”
“En ik dan?” flapte ik er een keer uit. “Mag ik ook moe zijn?”
Hij keek me aan alsof ik iets lelijks had gezegd. Misschien was dat ook zo.
Het ging mis op een maandagmiddag. Ik was net terug van pottenbakken, mijn handen nog ruw van de klei, toen Jan belde. Of ik direct kon komen, want Els was boos, onrustig, ze wilde “naar haar moeder”, en hij kon niet meer.
Ik zei dat ik niet kon. Gewoon niet. Ik had zelf een afspraak, en bovendien: ik voelde aan alles dat ik op was.
Aan de andere kant bleef het even stil.
Toen zei Jan heel koud: “Dus dit is het dan. Nu het lastig wordt, haak jij af.”
Ik heb alsnog opgehangen en daarna gehuild in de bijkeuken, tussen het wasmiddel en de lege flessen. Alsof ik iets onherstelbaars had gedaan.
Sindsdien zat er spanning op alles. Ook tussen mij en Kees. Hij ging vaker alleen naar Jan toe. Kwam laat thuis. Geïrriteerd.
“Hij staat er echt alleen voor, Marijke. Jij ziet alleen wat het jou kost.”
Dat deed pijn. Vooral omdat ik juist de hele tijd voelde wat het mij kostte.
En toen was daar dat etentje van vorige week. Het eerste in tijden. Ik had nog gehoopt dat het gezellig kon zijn, al was het maar een beetje. Els droeg haar blauwe vest binnenstebuiten. Ik hielp haar zachtjes met de knoopjes. Ze glimlachte naar me, ineens weer even die oude Els.
“Jij bent lief,” fluisterde ze.
Ik moest bijna huilen.
Tijdens het hoofdgerecht begon Jan over de dagbesteding. Dat de wachtlijsten lang waren. Dat de thuiszorg te weinig deed. Dat hij niet alles meer kon. En toen, zonder waarschuwing, schoof hij zijn stoel naar achteren en zei hard:
“Als vrienden jullie ons niet eens twee vaste dagen per week kunnen ontlasten, plus wat administratie, wat stelt die vriendschap dan eigenlijk nog voor?”
Ik voelde alle warmte uit mijn gezicht wegtrekken.
Kees zei niks. Dat vond ik nog het ergst.
Ik heb mijn servet neergelegd en gezegd: “Jan, wij zijn jullie vrienden. Geen vervanging van professionele zorg. Ik wil helpen, maar ik ga mijn leven niet volledig opgeven. Dat kan ik niet.”
“Nee,” zei hij. “Dat wíl je niet.”
Els keek van hem naar mij, verward, klein. “Gaan we ruzie maken?” vroeg ze.
Niemand antwoordde meteen. Alleen dat verschrikkelijke getik van die klok weer.
We zijn vroeg weggegaan. In de auto zei Kees eerst niets. Daarna: “Misschien had hij wel een punt.”
Ik keek uit het raam, naar de natte lantaarnpalen en de fietsen tegen de hekken, en ik voelde iets knappen wat al maanden op spanning stond.
“Als jij vindt dat vriendschap betekent dat wij onszelf moeten opofferen,” zei ik, “dan weet ik niet meer waar ik in zit. In een huwelijk. Of in een moreel examen waar ik alleen maar op kan zakken.”
Sindsdien hebben Jan en Els niet meer gebeld. Kees praat kortaf tegen me. En ik loop rond met een steen in mijn maag, omdat ik Els mis, omdat ik Jan ook ergens begrijp, en omdat ik nog steeds niet weet of ik laf ben of eindelijk eerlijk.
Hoe ver moet je gaan voor mensen van wie je houdt, voordat je jezelf kwijtraakt?
En als je grens pas zichtbaar wordt als iemand anders hem egoïsme noemt… heb je dan ongelijk, of ben je gewoon te laat geweest met nee zeggen?