Toen ik zei dat ik de reis niet zou regelen, werd het stil in onze vriendengroep

“Maar wie moet het dan doen, Marja?”

Els keek me aan alsof ik had gezegd dat ik niet meer op haar verjaardag wilde komen. Haar hand bleef boven de schaal blokjes kaas hangen. Aan onze eettafel zat iedereen ineens stil. Zelfs Henk, die normaal bij elk ongemakkelijk moment een flauwe grap maakt, zei niks.

Ik voelde mijn hart bonzen, maar ik zei het toch.

“Dat weet ik niet, Els. Iemand anders. Of jullie verdelen het. Maar ik ga die reis naar Limburg niet organiseren.”

Zes weken eerder was ik nog thuisgekomen van de huisarts met een verwijsbrief voor de praktijkondersteuner en een hoofd dat voelde alsof er watten in zaten. Burn-out, zei ze voorzichtig. Geen aanstellerij, geen gewone vermoeidheid. Stoppen. Echt stoppen.

Ik ben 64. Ik dacht altijd dat ik sterk was omdat ik alles aankon. Nu bleek dat ik vooral nooit nee had gezegd.

Al ruim dertig jaar komen we elke vrijdagavond samen met dezelfde mensen: Els en Henk, Ria en Kees, en Anja, sinds haar Willem overleden is. Eerst met jonge kinderen die door de woonkamer renden, later met wijn en borrelhapjes, daarna met verhalen over pensions, krakkemikkige knieën en kleinkinderen. Het was onze vaste kring. Onze tweede familie, zeiden we altijd.

En ik regelde alles.

Wie er jarig was. Wie geen vlees at. Welk restaurant toegankelijk was voor Kees, sinds zijn heup. Bloemen als iemand in het ziekenhuis lag. Een kaart namens iedereen. De jaarlijkse fietstocht, het kerstdiner, het weekendje weg. En als Els weer ruzie had met haar dochter of Anja huilend belde omdat ze zich alleen voelde, nam ik op. Ook als ik zelf net met mijn jas aan van mijn werk kwam.

Ik deed het graag. Tenminste, dat dacht ik.

Toen ik uitviel, stuurde ik een bericht in onze groepsapp: Lieve allemaal, ik ben even op. Ik heb rust nodig. Willen jullie de komende tijd niets van mij verwachten qua afspraken en regelen?

Er kwamen hartjes. Lieve woorden. ‘Neem je tijd, meid.’

Maar een week later belde Ria.

“Marja, weet jij nog waar we vorig jaar hadden gegeten met kerst? Ik kan dat nergens terugvinden.”

Nog geen twee dagen daarna appte Els: Zullen we vrijdag gewoon bij jou doen? Jij hoeft niets bijzonders te maken hoor.

Bij mij doen. Alsof mijn huis vanzelf openklapte, de hapjes zichzelf op tafel zetten en ik weer met een glimlach iedereen opving.

Ik schreef terug dat het niet ging.

Daarna bleef het opvallend stil. Niet alleen bij mij. In de hele groep. Geen vrijdagavond. Geen alternatief voorstel. Geen ‘zullen we bij mij zitten?’ Blijkbaar bestond onze vriendschap alleen als ik hem op de kalender zette.

Bram, mijn man, zag hoe ik daarvan schrok. Hij zette ’s avonds thee en ging tegenover me zitten aan de keukentafel.

“Misschien weten ze gewoon niet hoe ze het moeten aanpakken,” zei hij.

“Ze zijn toch geen kinderen?” snauwde ik. Meteen had ik spijt. Bram kon er ook niks aan doen.

Hij knikte alleen.

“Maar,” zei hij na een tijdje, “ik ben wel bang dat we ze kwijtraken als dit zo doorgaat.”

Dat raakte me, want ik was daar ook bang voor. We hebben geen broers of zussen meer dichtbij. Onze kinderen wonen in Zwolle en Breda, met hun eigen drukke levens. Als er iets gebeurt, zijn Henk en Els inderdaad sneller hier dan zij.

Maar moet ik mezelf dan weer kapotmaken om dat vangnet in stand te houden?

De reis naar Limburg kwam ter sprake tijdens die avond bij ons. Kees had een folder meegenomen van een hotel in Valkenburg. Drie nachten, een arrangement, een excursie naar Maastricht. Iedereen was enthousiast. Voor ik het wist, keek Els mij aan.

“Jij bent toch altijd zo goed in die kamers regelen? En dan kunnen we misschien weer met twee auto’s, dat scheelt parkeren.”

Ik voelde iets in mezelf dichtklappen. Niet uit boosheid alleen. Ook uit verdriet. Ze hadden gezien dat ik niet kon slapen. Dat ik was afgevallen. Anja had me nog vastgehouden in de gang en gezegd: “Je moet echt aan jezelf denken.”

En toch zat iedereen te wachten tot ik weer de oude Marja werd.

“Dat ga ik niet doen,” zei ik.

Els trok haar wenkbrauwen op. “Niet doen? Je hoeft toch niet alles alleen te doen?”

“Maar uiteindelijk doe ik dat wel. Altijd.”

Henk blies hoorbaar uit. “Je maakt er wel iets groots van, Marja.”

Bram legde zijn hand op mijn arm, maar ik schoof mijn stoel naar achteren.

“Misschien is het groot. Voor mij is het groot. Ik wil best mee als iemand anders iets regelt. Ik wil best een wijntje drinken en slap lachen om jullie verhalen. Maar ik wil niet meer weten wie welk dieet heeft, wie nog moet betalen en wie zich buitengesloten voelt omdat die geen kamer met balkon heeft. Ik kan dat niet meer.”

Anja keek naar haar glas.

Ria zei zacht: “We hebben jou ook altijd gesteund, hè.”

Die zin deed het meeste pijn. Want het was waar, een beetje. Ze waren er geweest toen Bram zijn baan verloor. Toen mijn moeder stierf. Maar steun is toch niet hetzelfde als een rekening die je later kunt innen?

Ze gingen die avond eerder weg dan anders. De kaas bleef op tafel staan. In de groepsapp werd drie dagen niets gezegd. Daarna schreef Els dat zij en Henk misschien met z’n tweeën naar Limburg gingen.

Ik heb niet gereageerd.

Soms mis ik de drukte van vroeger zo erg dat ik bijna zelf weer een datum prik. Dan zie ik Bram naar zijn lege vrijdagavond kijken en voel ik schuld. Maar daarna denk ik aan die ochtend dat ik niet eens de energie had om te douchen, terwijl ik wel nog probeerde uit te zoeken waar we met acht mensen konden lunchen.

Ik wil mijn vrienden niet verliezen. Ik wil alleen niet langer de prijs zijn die zij betalen voor gezelligheid.

Is een vriendschap nog vriendschap als één persoon hem steeds moet dragen? Of ben ik pas vrij nu ik het risico durf te nemen dat sommige mensen vertrekken?