Ik dreigde onze zeilboot te verkopen en daarmee bijna mijn beste vriend van veertig jaar kwijt te raken
‘Ben je nou helemaal gek geworden, Henk?’
Gerrit stond op de steiger met zijn fietstas nog over zijn schouder, zijn gezicht rood van woede en vermoeidheid. Achter hem klotste het bruine havenwater tegen de palen. Ik had net een map uitgeprint met tarieven van een andere jachthaven, goedkoper, ruimer, iets verder rijden. Voor mij voelde het logisch. Voor hem blijkbaar als verraad.
‘Luister nou even,’ zei ik. ‘Daar hebben we meer plek. Ik kan eindelijk die kajuit aanpakken, de bedrading vernieuwen, alles fatsoenlijk doen.’
Hij lachte kort. Niet vrolijk. ‘Jij kan. Ja. Omdat jij alle tijd van de wereld hebt nu.’
Dat kwam binnen. Harder dan ik wilde toegeven.
Ik ben 64, sinds drie maanden vroeg met pensioen. Na veertig jaar in een technisch magazijn dacht ik dat ik me licht zou voelen. Vrij. Maar de eerste weken thuis sloegen ook ergens anders in door. Te veel stilte. Te veel ochtenden waarin niemand iets van me nodig had. Die boot, onze boot, werd mijn redding. Een plan. Iets wat ik met mijn handen kon terugbrengen naar hoe het ooit was.
Gerrit is 65 en werkt nog steeds fulltime bij een verzekeraar in Alkmaar. Elke dag files, targets, gezeur over personeelstekort. Voor hem is de haven geen kostenpost. Het is een schuilplaats. Tien minuten van zijn huis. Sleutel omdraaien, lijnen los, hoofd leeg.
Dat snapte ik ook wel. Dacht ik.
Wij kennen elkaar sinds 1984. We leerden elkaar kennen in een kroeg in Hoorn, omdat we allebei op hetzelfde moment klaagden over Ajax en over lauw bier. Sindsdien waren we altijd samen. Trouwerijen, verhuizingen, begrafenissen, de geboorte van zijn dochter, mijn scheiding, de beroerte van mijn broer. En elke zomer die boot. Altijd die boot.
Misschien daarom dacht ik dat ik dit gesprek wel kon winnen. Of tenminste uitpraten.
Maar vanaf dat moment werd alles stroever.
Ik appte offertes van materialen.
Hij reageerde met duimpjes of helemaal niet.
Als we elkaar in de haven zagen, keek hij eerst naar de boot en dan pas naar mij.
Op een avond, terwijl ik met een schuurmachine bezig was, zei hij ineens:
‘Je bent niet meer aan het opknappen, Henk. Je bent haar aan het overnemen.’
Ik zette dat ding uit. Het piepen in mijn oren bleef nog hangen.
‘Overnemen? Het is ook mijn boot.’
‘Onze boot,’ beet hij me toe. ‘Niet jouw pensioenproject.’
Ik voelde mijn nek heet worden. ‘En wat dan? Moet alles blijven zoals het was omdat jij na je werk nog even een uurtje wil dobberen?’
Hij deed een stap naar achteren, alsof ik hem echt geraakt had.
‘Weet je wat het is?’ zei hij zachter. ‘Jij bent gestopt met werken en nu moet ineens alles anders. Alsof mijn leven ook maar even mee moet schuiven.’
Dat was het moment waarop ik iets zei wat ik niet meer terug kon nemen.
‘Misschien moeten we haar dan verkopen.’
Het werd doodstil. Zelfs de wind leek weg.
Gerrit keek niet boos. Dat was erger. Hij keek alsof ik iets in hem had kapotgemaakt.
‘Verkopen?’ herhaalde hij. ‘Na veertig jaar? Omdat jij je verveelt?’
Ik wilde zeggen dat het niet om verveling ging. Om ruimte. Om adem. Om niet langzaam wegzakken in koffie, klusfolders en dagen die op elkaar lijken. Maar het klonk in mijn hoofd al zwak.
Hij pakte zijn tas van de grond.
‘Laat maar, Henk. Echt. Laat maar.’
Een week later gingen we toch op onze jaarlijkse tocht. Alsof traditie sterker was dan ruzie. Alsof water dingen oplost. Nou, niet dus.
De eerste dag ging nog. We voeren over het IJsselmeer, grijze lucht, harde wind, weinig woorden. Ik maakte lijstjes in mijn hoofd van wat er aan de boot moest gebeuren. Gerrit zat achter het roer alsof hij zich vasthield aan iets wat hem elk moment afgepakt kon worden.
In de avond, in de kajuit, met lauwe soep uit een pan, begon het weer.
‘Je bent hier niet eens meer om te varen,’ zei hij.
Ik keek op. ‘Wat bedoel je daarmee?’
‘Je ziet alleen nog werk. Hout, schroeven, rekeningen. Jij kijkt naar die boot en ziet een project. Ik kijk ernaar en denk: eindelijk rust.’
‘Rust?’ zei ik. ‘Gerrit, jij vlucht hierheen. Dat is iets anders.’
Hij sloeg zijn lepel neer. ‘Ja, en dan? Mag dat soms niet? Weet jij hoe mijn dagen zijn? Ik kom thuis en ik ben op. Helemaal op. Deze boot is het enige waar ik niet hoef na te denken.’
Ik wilde reageren, maar hij ging door.
‘En jij… jij hebt nu al die tijd. Mooi voor je. Echt. Maar je doet alsof ik degene ben die moeilijk doet, terwijl jij degene bent die alles omgooit.’
Dat woord bleef hangen: mooi voor je.
Alsof mijn pensioen een cadeautje was geweest. Niet iets waar ook angst onder zat. Niet dat lege gevoel in huis. Niet wakker worden en denken: was dit het dan?
Ik zei het eindelijk hardop.
‘Ik ben bang, Gerrit.’
Hij keek me aan, voor het eerst echt.
‘Waarvoor?’
Ik haalde mijn schouders op, maar mijn stem trilde toch. ‘Dat dit het nu is. Dat ik alleen nog maar op de tijd sta te wachten. Dus ja, ik wil iets opbouwen. Iets maken. Anders word ik gek, denk ik.’
Hij wreef over zijn gezicht. Moe. Oud ineens.
‘En ik ben bang dat als die boot weggaat uit deze haven, of verkocht wordt, ik ook iets kwijtraak wat me overeind houdt.’
Daar zaten we dan. Twee mannen van in de zestig, allebei koppig, allebei bang, allebei te trots geweest om dat eerder gewoon te zeggen.
We hebben die nacht bijna niet geslapen. De volgende ochtend was het water vlak. Bij het aanleggen hielp hij me zwijgend met de lijnen. Daarna zei hij:
‘Misschien moet niet alles blijven zoals het was.’
Ik knikte. ‘Misschien moet ook niet alles meteen op de schop.’
We zijn er nog niet uit. De boot ligt nog steeds in de oude haven. Ik heb de grote verbouwing stilgelegd. Gerrit is één zaterdag mee geweest om samen te klussen, wat vroeger ondenkbaar was. Het ging stroef, maar ook goed, op een gekke manier.
Toch hangt die vraag nog steeds tussen ons in, als mist boven het water.
Hoeveel moet je van jezelf inleveren om een vriendschap te houden?
En als je dat niet doet, ben je dan eerlijk… of gewoon egoïstisch?