Mijn man zette de tas van mijn depressieve vriendin bij de voordeur en zei: „Ze woont hier niet.”
„Ze woont hier niet, Marjan.”
Ik stond met een pan stamppot in mijn handen toen ik Kees de weekendtas van Els bij de voordeur zag zetten. Netjes rechtop, naast haar schoenen. Hij keek me niet eens aan. Zijn kaak stond strak, zoals vroeger wanneer de belastingaangifte weer eens niet klopte.
„Doe normaal,” siste ik. „Ze slaapt vanavond gewoon hier.”
„Dat zou drie nachten zijn. Net als vorige week. En de week daarvoor. Wanneer is dit begonnen te lijken op tijdelijk?”
Els zat aan onze eettafel en roerde zwijgend in haar thee. Ze had haar vest nog aan, hoewel de verwarming op twintig stond. Sinds Henk anderhalf jaar geleden onverwacht overleed, leek ze altijd koud te hebben. Koud en kleiner. Alsof ze probeerde zo min mogelijk ruimte in te nemen.
Ik had haar daar niet kunnen laten zitten. Niet alleen in dat grote rijtjeshuis in Amersfoort, met zijn lege kant van het bed en de stoel waarop Henk altijd de krant las.
Het begon voorzichtig. Een telefoontje op een dinsdagavond.
„Marjan, ik trek het vannacht niet,” had ze gefluisterd. „Ik hoor de koelkast brommen en ik weet niet waarom, maar ik word er zo bang van.”
Ik zei: „Kom maar.” Natuurlijk zei ik dat. Els en ik waren al vriendinnen sinds de huishoudschool. Ze was bij mijn bruiloft. Ik bij die van haar. We hadden samen onze kinderen grootgebracht, kampeerweekenden in Drenthe gedaan, elkaar huilend gebeld toen onze moeders stierven. Je laat zo iemand toch niet alleen omdat je eindelijk met pensioen bent?
Kees en ik hadden juist ons huis verbouwd. Een nieuwe keuken, vloerverwarming, een kleine serre waar we ’s ochtends koffie dronken. Na veertig jaar werken in de bouw en de thuiszorg wilden we eindelijk niets hoeven. Geen wekker. Geen zorgroosters. Gewoon wij tweeën.
Maar Els bleef komen.
Eerst één nacht. Daarna twee. Toen vroeg ze of ze maandag, woensdag en vrijdag bij ons mocht eten en slapen. „Alleen tot ik weer wat sterker ben,” zei ze, met tranen in haar ogen.
Kees zweeg een paar tellen te lang. Ik nam dat als toestemming.
Achteraf schaam ik me daarvoor.
Na een maand lagen er toiletspullen van Els in onze badkamer. Haar pantoffels stonden onder de kapstok. Ze zette haar medicijnen naast onze broodplank, omdat ze die anders vergat. Om zeven uur ’s ochtends stond de televisie aan, zacht maar niet zacht genoeg. Kees ging later uit bed, liep dan in zijn badjas naar beneden en vond haar al op zijn vaste plek aan tafel.
„Ik voel me een gast in mijn eigen huis,” zei hij op een avond.
Ik werd meteen boos. „Ze is ziek, Kees.”
„Dat weet ik. Maar ik ben niet haar hulpverlener.”
„Nee, je bent mijn man. En ik vraag je om een beetje medeleven.”
Hij lachte kort, zonder humor. „Een beetje? Ik kan niet meer in mijn onderbroek naar de keuken. We eten wanneer Els trek heeft. We kijken naar programma’s waar zij niet van schrikt. Jij zit de hele avond naast haar op de bank. Wanneer zijn wij eigenlijk nog wij?”
Die woorden deden pijn omdat ik wist dat hij gelijk had. Toch voelde het alsof ik Els verraadde door dat toe te geven.
De echte barst kwam op een zaterdag. Kees had kaarten geregeld voor een voorstelling in Utrecht. Voor het eerst in weken zouden we samen weggaan. Els zou die avond thuisblijven; ik had boodschappen voor haar gedaan en haar beloofd te bellen.
Een uur voor vertrek belde ze huilend op.
„Ik kan niet alleen eten. Ik krijg die deur niet uit. Alsjeblieft, Marjan.”
Ik keek naar Kees, die zijn nette overhemd al aan had. Zijn gezicht zakte in. Ik pakte mijn jas weer uit.
„We gaan niet,” zei ik.
Hij knikte, heel rustig. Dat was erger dan schreeuwen.
Later die avond vond ik hem in de serre. Hij zat in het donker met een glas water voor zich.
„Ik raak je kwijt,” zei hij.
Ik wilde zeggen dat Els mij nodig had. Maar Kees keek naar buiten, naar de regen op het glas, en zei: „Ik heb jou ook nodig. Alleen dat lijkt ineens minder belangrijk.”
De maandag erna kwam Els met haar tas. Kees deed open. Ik hoorde hem zeggen: „Els, je bent welkom voor koffie. Voor een maaltijd ook. Maar slapen gaat niet meer. We moeten dit anders regelen.”
Ze keek alsof hij haar een klap gaf.
„Dus ik ben lastig geworden,” fluisterde ze.
„Nee,” zei ik snel. „Nooit.”
Maar ze pakte haar tas niet op. Ze keek alleen naar mij. Wachtend. En ik voelde die oude vriendschap, al die jaren, als een hand om mijn keel.
Uiteindelijk heb ik met haar huisarts gebeld. We hebben geregeld dat ze bij een lotgenotengroep ging kijken en dat haar dochter vaker langskomt. Els is boos op mij geweest. Misschien is ze dat nog steeds. Ze slaapt nu niet meer bij ons, maar elke donderdag eet ze mee.
Kees en ik zitten weer soms zwijgend in de serre. Niet omdat alles goed is, maar omdat we het opnieuw proberen.
Ik vraag me nog vaak af: heb ik Els gered door een grens te stellen, of heb ik haar precies op het moment dat ze viel van me af geduwd?
Waar houdt trouw aan een vriendin op, en waar begint trouw aan jezelf en aan degene met wie je je leven deelt?