Mijn beste vrienden willen dat wij elke donderdag voor hen klaarstaan, maar wij hadden eindelijk plannen gemaakt voor ons eigen leven
Toen ik vorige maand de routekaarten op de keukentafel legde, zei mijn vrouw Marijke ineens: „Ik durf het bijna niet meer aan Kees en Ria te vertellen.”
Het ging om onze reis. Drie maanden met de camper door Frankrijk, een stuk Spanje, misschien nog Portugal als het niet te warm werd. Ik ben 63, Marijke 61. Ik heb 41 jaar bij een installatiebedrijf gewerkt en zij zat op de administratie van een scholengemeenschap. Altijd was er wel iets: kinderen die studeerden, mijn vader die naar een verpleeghuis moest, haar moeder die alleen woonde, een lekkend dak, een baan die geen ruimte gaf.
We hadden het er jarenlang over gehad. „Als we stoppen, gaan we.” Niet wereldvreemd doen met van die perfecte pensioenfoto’s op Facebook, maar gewoon weg. Lang rijden, ergens op een kleine camping staan, ’s ochtends stokbrood halen zonder dat je om half acht achter je computer hoeft te zitten.
Kees en Ria zijn al bijna dertig jaar onze beste vrienden. We leerden elkaar kennen op de camping in Zeeland, toen onze jongens nog klein waren en allebei een hekel hadden aan voetbaltraining. Sindsdien vierden we verjaardagen samen, gingen we ieder jaar een weekje weg en zaten we op zondagmiddag regelmatig bij elkaar aan tafel. Bij hen was het altijd rommelig en gezellig. Ria maakte te sterke koffie en Kees vertelde verhalen die hij al drie keer verteld had.
Maar de laatste jaren is het anders geworden.
Ria heeft reuma die steeds grilliger is gaan lopen. Sommige dagen kan ze redelijk uit de voeten, andere dagen krijgt ze amper een potje open. Kees heeft COPD en is na een longontsteking vorig jaar nooit echt opgeknapt. Hij doet stoer, maar als hij van de keuken naar de schuur loopt, hoor je hem al hijgen. Hun dochter woont in Groningen, hun zoon in België. Ze bellen wel, geloof ik, maar bellen is iets anders dan iemand die even de vuilnis buiten zet of meegaat naar de huisarts.
In het begin hielpen we gewoon waar het nodig was. Ik hing een plank op, Marijke nam een pan soep mee, we reden ze een keer naar het ziekenhuis in Nieuwegein omdat Kees niet meer mocht autorijden na een onderzoek. Dat voelde niet als een last. Zo doe je dat voor vrienden.
Alleen werd „even” langzaam iets wat altijd op donderdag moest.
Ria had daar een systeem van gemaakt. Donderdag was haar slechte dag, zei ze, omdat ze op woensdag fysiotherapie had. Dus kwamen wij donderdagochtend. Eerst boodschappen. Dan stofzuigen beneden, want dat lukte haar niet meer goed. Soms een was ophangen. Daarna koffie, vaak tot na de lunch, want Kees had weinig mensen om mee te praten sinds hij niet meer naar zijn oude kaartclub ging.
Het begon me op te vallen dat we afspraken eromheen gingen bouwen. Als onze kleindochter een schooloptreden had op donderdag, moesten we uitleggen waarom we niet konden. Als ik een keer met een oud-collega wilde vissen, dacht ik eerst: laat maar, donderdag is al bezet.
Marijke zei er weinig van, maar ik merkte dat ze er moe van werd. Niet alleen van het werk, denk ik. Ook van de sfeer. Ria was soms dankbaar, heel oprecht. En soms zat ze met haar armen over elkaar te kijken hoe Marijke de badkamer deed, terwijl ze vertelde dat haar buurvrouw ook nooit meer langskwam.
In januari hebben we het voorzichtig aangekaart. We zaten bij hen, met erwtensoep uit de vriezer. Ik zei dat we na mijn laatste werkdag wat meer op pad wilden gaan. Niet alleen die reis, ook weekendjes weg en misschien een cursus Spaans in het buurthuis.
Kees keek meteen naar zijn bord. Ria zei: „Maar donderdag blijft toch wel gewoon?”
Ik weet nog dat ik heel laf zei: „Nou, niet altijd.”
Ze werd stil. Niet boos op een duidelijke manier. Er kwam juist zo’n gekwetste blik die erger is. „We vragen toch niet veel? Eén dag. En jullie zijn toch met pensioen?”
Dat laatste bleef hangen. Alsof pensioen betekent dat je tijd van iedereen wordt zodra je geen loonstrook meer krijgt.
Marijke heeft die avond in de auto gehuild. Niet omdat ze niet meer wilde helpen, zei ze. Ze schaamde zich zelfs dat ze soms tegen donderdag opzag. Maar ze had zich haar pensioen anders voorgesteld. Niet als een agenda waarin zij de thuiszorg was van mensen van haar eigen leeftijd.
We hebben gekeken naar mogelijkheden. De Wmo-consulent van de gemeente was al eens langs geweest, begrepen we. Er was huishoudelijke hulp voor een paar uur, maar Ria vond dat verschrikkelijk. „Iedere keer een ander meisje dat door je spullen loopt.” De ouderenadviseur had dagbesteding genoemd voor Kees, maar hij zei dat hij niet tussen „zielige oude kerels” wilde zitten. Zijn woorden, niet de mijne.
Toen we in maart de camperreis echt boekten, hebben we het gezegd. We zouden begin september vertrekken en vlak voor Sinterklaas terug zijn.
Ria reageerde eerst praktisch. Of we de planten dan nog wel water konden geven als ze in het ziekenhuis moest. Of ik misschien de contactpersoon van hun zoon kon worden als er iets gebeurde. Daarna begon ze te trillen met haar onderlip, iets wat ik nog nooit bij haar had gezien.
„Dus jullie gaan gewoon drie maanden weg terwijl wij hier zitten,” zei ze.
Kees zei niets. Hij keek naar het raam, waar het miezerde.
Ik zei dat hun kinderen wisten van de reis en dat we natuurlijk telefonisch bereikbaar zouden zijn. Ik hoorde mezelf praten en vond het meteen armzalig klinken.
Ria zei: „Vriendschap doet er juist toe als het niet meer uitkomt, Henk.”
Daar had ik geen antwoord op. Want ze heeft ergens gelijk. Als alles makkelijk is, kan iedereen een vriend zijn.
Maar ik werd ook boos, en daar schaam ik me minder voor dan ik eerst deed. Ik zei dat wij geen hulpverlening konden vervangen. Dat we ook ouder worden. Dat Marijke last van haar knie heeft en dat ik niet nog twintig jaar iedere donderdag hun huis kan blijven draaien omdat nee zeggen pijn doet.
Kees keek me toen eindelijk aan. „We vragen geen twintig jaar. We vragen jullie.”
Sinds dat gesprek is er iets kapot, of in elk geval scheef. We gaan nog wel langs, maar het voelt niet meer vanzelf. Vorige week bracht ik een nieuwe lamp voor de gang. Kees bedankte me netjes, maar hij vroeg niet hoe de camper door de APK was gekomen. Ria had een lijstje op tafel gelegd met telefoonnummers en medicatie, blijkbaar voor het geval wij toch bereid waren iets te regelen tijdens onze reis.
Marijke heeft gezegd dat we voor vertrek nog één keer met hun dochter en zoon willen videobellen. Niet om hen af te schuiven, maar omdat het niet houdbaar is dat alles op vier schouders rust, waarvan twee het eigenlijk niet aankunnen en twee er niet voor gekozen hebben. Misschien kan er meer via de gemeente, een vrijwilliger van de welzijnsorganisatie, iets met boodschappenbezorging. Ik weet dat het voor Ria niet hetzelfde zal zijn als Marijke die haar keuken kent.
En dat is misschien precies het punt waar ik het moeilijk mee heb. Wij zijn niet hetzelfde als een dienst of een vrijwilliger. We zijn hun vrienden. Maar vrienden zouden elkaar toch ook moeten gunnen dat er nog iets overblijft van hun eigen leven?
De routekaarten liggen nog steeds op tafel. Marijke heeft er met potlood kleine rondjes op gezet bij plaatsen waar ze graag heen wil. Vanavond gaan we de camper inpakken met spullen die we waarschijnlijk helemaal niet nodig hebben. Ik heb Kees net een bericht gestuurd dat ik morgen even kom helpen met de winterbanden van zijn scootmobiel.
Hij heeft alleen teruggestuurd: „Is goed.”
Meer stond er niet.