Mijn man zegt steeds onze vrienden af omdat hij voor mij wil zorgen, maar ik raak daardoor juist iedereen kwijt
Het begon met een afzegging voor een etentje bij Kees en Monique. Niet eens iets groots. We zouden met z’n achten eten, zoals we al jaren doen, om de beurt bij iemand thuis. Monique maakt altijd te veel, Kees vergeet standaard dat er ook nog een toetje moet komen en aan het eind van de avond wordt er steevast over hetzelfde vakantiehuisje in Frankrijk gepraat.
Ik lag die middag op de bank. Niet dramatisch ziek, maar gewoon op. Zo’n dag waarop douchen al voelt alsof je ergens naartoe bent geweest. Jan had net de appgroep geopend en zei: „Ik heb voor vanavond afgezegd. Jij moet rusten.”
Ik weet nog dat ik zei: „Maar misschien gaat het vanavond wel.”
Hij keek me aan alsof ik had voorgesteld om een halve marathon te lopen. „Marieke, je ligt al de hele dag. Dit is toch geen doen?”
En ergens had hij gelijk. Ik had misschien na een uur aan tafel al naar huis gewild. Ik was ook opgelucht dat ik niet hoefde te beslissen. Dus ik zei niks meer.
Alleen werd die ene afzegging een patroon.
Ik heb post-covid, inmiddels bijna drie jaar. De ene week kan ik best een koffie drinken in de stad of een stukje fietsen, de andere week krijg ik hartkloppingen van de trap naar boven. Ik ben 62, geen 92, maar soms voelt mijn lichaam alsof het die memo niet heeft gekregen. Ik werk niet meer; mijn contract bij de bibliotheek liep af terwijl ik ziek thuis zat en verlengen zat er niet in. Dat vond ik al moeilijk genoeg.
Jan ging vorig jaar met pensioen bij de gemeente. Hij had er enorm naar uitgekeken. Eindelijk tijd voor zijn volkstuin, voor onze kleinzoon Mees, voor misschien een paar maanden met de caravan door Duitsland. In plaats daarvan begon hij lijstjes te maken van wat ik wel en niet moest doen. Niet letterlijk met kopjes en kleuren, maar bijna.
„Geen bezoek als je gisteren al bij je zus bent geweest.”
„Niet én fysiotherapie én een verjaardag in dezelfde week.”
„We gaan niet naar de maandelijkse borrel als jij de nacht ervoor slecht hebt geslapen.”
Hij zei steeds we. Maar uiteindelijk bleef hij ook thuis. Omdat hij mij niet alleen wilde laten, zei hij. Omdat hij geen zin had om gezellig te doen terwijl ik thuis lag. Omdat mensen toch altijd vroegen hoe het met me ging en hij daar moe van werd.
Onze vriendengroep bestaat al sinds we eind twintig waren. We woonden toen allemaal in dezelfde nieuwbouwwijk in Amersfoort. De kinderen zijn samen opgegroeid, we hebben elkaars verhuizingen gedaan, elkaars ouders begraven en jaren achter elkaar oud en nieuw gevierd in een veel te kleine serre bij Pieter en Els. Het zijn niet zomaar mensen met wie je af en toe iets drinkt.
Maar door al dat afzeggen werd het ongemakkelijk.
Eerst kwamen er nog berichten: sterkte, doe rustig aan, zullen we iets komen brengen? Daarna vooral duimpjes onder Jans berichten. Later hoorde ik via Els dat ze soms twijfelden of ze ons nog moesten uitnodigen. Niet omdat ze niet met mij wilden afspreken, zei ze haastig, maar omdat het iedere keer gedoe leek te worden.
Dat deed pijn, ook al snapte ik het. Jan zag het anders.
„Als het echte vrienden zijn, begrijpen ze dit,” zei hij toen ik erover begon.
„Maar wat moeten ze dan begrijpen? Dat we zes keer ja zeggen en vijf keer nee doen?”
Hij trok zijn schouders op. „Dat ziekte niet te plannen is.”
Dat is waar. Maar ziekte is niet het enige wat niet te plannen valt. Andere mensen hebben ook hun agenda, hun teleurstelling, hun eigen leven. En ik merkte dat ik begon te wachten tot iemand mij persoonlijk appte, niet Jan in de groepsapp. Dat gebeurde steeds minder.
Het ergste was misschien dat Jan het voor mij opnam terwijl ik hem daar niet altijd om gevraagd had. Bij de verjaardag van Els in november wilde ik een uurtje gaan. Ik had die ochtend zelfs mijn haar gewassen en een nette broek aangetrokken. Ik was kapot, maar op een soort vastberaden manier.
Jan zag me bij de voordeur staan met mijn jas al aan.
„Nee, Marieke. Kijk nou naar jezelf.”
Ik zei dat ik echt wilde. Hij zei dat ik morgen weer drie dagen zou moeten bijkomen. Toen werd ik boos en zei ik dat hij niet mijn vader was. Daar schrok hij zichtbaar van. Ik schrok er zelf ook van.
Hij ging uiteindelijk alleen even een bos bloemen brengen. Ik bleef thuis en at ’s avonds een boterham met kaas, omdat ik geen trek meer had om iets te koken.
Vorige maand stuurde Pieter een uitnodiging voor hun veertigjarig huwelijksfeest. Geen groot zaalding, want zo zijn zij niet, maar wel een middag en avond in het buurthuis met de hele oude kring erbij. Iedereen zou er zijn. Zelfs Arie en Nanda, die sinds hun verhuizing naar Zeeland bijna nooit meer komen.
Ik begon meteen te rekenen. Twee weken van tevoren rustig aan. Geen andere afspraken. Misschien een uur liggen in de auto als het nodig was. Vroeg weggaan. Het zou kunnen.
Jan keek naar de datum en zei: „Dat is veel te lang voor jou.”
„Dan ga ik niet tot elf uur.”
„Het gaat niet om dat ene uurtje, Marieke. Je maakt jezelf wijs dat je nog mee kunt zoals vroeger.”
Daar zat iets in dat me meer raakte dan ik wilde toegeven. Want natuurlijk mis ik hoe ik vroeger was. Ik mis het dat ik een avond kon doorkletsen zonder daarna twee dagen te moeten bijkomen. Maar ik wil ook niet alleen nog maar iemand zijn die beschermd moet worden tegen alles wat leuk is.
Ik zei dat ik wilde gaan. Hij zei dat hij er niet aan mee zou werken als ik daarna instortte. Dat klonk harder dan hij het volgens mij bedoelde.
Toen zei ik iets lelijks. Ik zei: „Misschien vind jij het wel fijn dat we niemand meer zien, dan hoef je ook niet uit te leggen wat er met me is.”
Hij werd heel stil. Jan is geen man die snel iets zegt als hij geraakt is. Hij ruimde zijn koffiekop op, terwijl er nog koffie in zat, en ging naar de schuur.
Die avond hebben we nauwelijks gepraat. Ik hoorde hem boven rommelen in de logeerkamer, waar hij de was normaal gesproken nooit opruimt. De volgende ochtend stond er een briefje op tafel dat hij boodschappen ging doen. Alsof we ineens huisgenoten waren die elkaar praktische mededelingen achterlieten.
Els belde me die middag. Niet Jan, mij. Ze zei dat ze me graag wilde zien op het feest, al was het maar een halfuur. En toen zei ze, voorzichtig: „We missen jullie wel, weet je. Maar we weten soms niet meer wat goed is.”
Ik heb haar verteld dat ik ook niet wist wat goed was.
Het feest is over twee weken. Jan heeft nog steeds niet gezegd dat hij meegaat. Ik heb inmiddels een taxi-nummer opgeslagen, wat overdreven is misschien, want Pieter woont twintig minuten rijden verderop. Maar ik wil niet afhankelijk zijn van een discussie bij de voordeur als ik die middag toch genoeg energie heb.
Gisteren vroeg Jan of ik al had nagedacht over hoe laat ik naar bed moest als ik per se wilde gaan. Ik wilde bijna weer ontploffen, maar ik zei alleen dat ik erover nadacht.
Hij knikte. Daarna vroeg hij of ik thee wilde.
Dat was alles. Maar hij zette wel mijn favoriete mok voor me neer, die met dat afgebladderde blauwe randje. Ik weet niet of dat iets betekent. Ik weet vooral dat ik naar dat jubileum wil. Niet om te bewijzen dat ik niet ziek ben, maar omdat ik nog steeds Marieke ben, en niet alleen degene voor wie afspraken worden afgezegd.