Mijn oudste vriend vroeg of wij drie dagen per week bij hem wilden wonen om voor zijn vrouw te zorgen
Vorige week stond ik op maandagochtend om half zeven in onze eigen keuken een tas in te pakken alsof ik op schoolreis ging. Twee setjes ondergoed, mijn medicijnen, een trui, telefoonlader. Ellen stond achter me en zei niets. Ze zette alleen een boterhamzakje met krentenbollen erbij, terwijl we helemaal niet van plan waren ver weg te gaan.
We zouden drie nachten bij Henk en Marja slapen.
Of nou ja, dat was het voorstel. Henk noemde het geen voorstel meer. Hij had al gezegd dat de logeerkamer vrijgemaakt moest worden en dat hij een extra sleutel voor ons zou laten bijmaken. Alsof we in een soort rooster terecht waren gekomen waar we nog net niet voor hadden getekend.
Henk en ik kennen elkaar sinds 1981. We begonnen allebei bij dezelfde drukkerij in Amersfoort. Hij aan de machines, ik op de expeditie. In die tijd rook je thuis na een late dienst nog naar inkt en oplosmiddel. Onze vrouwen leerden elkaar kennen op een barbecue van het werk, ergens bij de Isselt, met van die veel te gare satéstokjes. Marja had toen al die harde lach waar je drie tuinen verderop nog van opkeek.
We zijn met z’n vieren naar Frankrijk geweest, naar Texel, later een paar keer met de caravan naar Duitsland. Onze kinderen zijn ongeveer tegelijk geboren. Toen Ellen na de geboorte van onze tweede een paar weken nauwelijks kon lopen door complicaties, stond Marja hier gewoon om zeven uur ’s ochtends met een pan macaroni. Henk heeft mijn vader naar het ziekenhuis gereden toen ik zelf in Engeland zat voor mijn werk. Dat soort dingen vergeet je niet.
Dus toen Marja vorig jaar rare dingen begon te doen, waren wij er ook.
Eerst was het nog klein. Ze vergat dat we hadden afgesproken en stond in haar badjas voor het raam toen we kwamen koffie drinken. Een keer had ze twee keer achter elkaar gevraagd hoe lang Ellen en ik al getrouwd waren. Daarna ging ze heel stil zitten, alsof ze zelf ook wel begreep dat er iets niet klopte.
De huisarts verwees door, er kwamen onderzoeken, gesprekken bij de geheugenpoli. Henk belde ons na de uitslag. Ik weet nog dat hij alleen maar zei: “Ze noemen het beginnende Alzheimer.” Daarna hoorde ik hem ademen. Geen huilen, niets. Henk is nooit iemand geweest die makkelijk huilt.
In het begin hielpen we praktisch. Ellen nam Marja mee naar de markt. Ik ging met Henk een keer per week fietsen, al was dat vooral omdat hij dan eindelijk even kon klagen zonder dat Marja het hoorde. We haalden boodschappen als hij een afspraak had. Dat voelde logisch. We wonen tien minuten rijden bij ze vandaan en we zijn sinds kort allebei met pensioen. Ik pas sinds januari, Ellen al anderhalf jaar.
We hadden juist plannen gemaakt. Niet heel spectaculair misschien. In april drie weken met de camper naar de Vogezen. In september naar onze dochter in Groningen en daarna door naar een huisje op Schiermonnikoog. Minder agenda, hadden we tegen elkaar gezegd. Na al die jaren werken, zorgen voor kinderen, mijn moeder die tot haar dood thuis wilde blijven wonen: eindelijk een beetje kijken hoe een dag loopt als niemand iets van je nodig heeft.
Het gesprek met Henk begon aan zijn keukentafel, op een dinsdagmiddag. Marja lag boven te slapen. Tenminste, dat zei hij. Ze sliep de laatste tijd veel overdag, maar ’s nachts liep ze juist rond. Soms trok ze de voordeur open omdat ze dacht dat ze naar haar ouders moest.
Henk had koffie gezet, veel te sterk. Hij schoof zijn mok steeds een stukje heen en weer.
“Zo kan ik niet blijven werken,” zei hij. “Maar ik kan ook niet stoppen. Financieel niet, en eerlijk gezegd word ik gek als ik alleen maar hier zit.”
Dat begreep ik. Henk is 63 en werkt nog drie dagen als planner bij een transportbedrijf. Hij wil nog twee jaar door, mede omdat ze ooit een verbouwing hebben gedaan die duurder uitviel dan gedacht. Maar hij keek ons toen aan met een blik die ik moeilijk vond. Niet vragend alleen. Ook alsof de oplossing eigenlijk al vaststond.
“Als jullie nou maandag tot en met woensdag hier zouden zijn. Ook slapen. Dan weet ik dat Marja goed zit als ik werk. Jullie kennen haar het best.”
Ellen vroeg voorzichtig of thuiszorg of dagbesteding niet iets kon zijn. Henk zuchtte meteen.
“Daar komt steeds iemand anders. Marja raakt daarvan in de war. En die dagbesteding, daar wil ze niet heen. Bij jullie voelt ze zich veilig.”
Dat laatste was waar. Marja kent ons nog goed, meestal. Soms noemt ze mij Kees, de naam van haar broer. Maar als Ellen binnenkomt, fleurt ze vaak op.
Ik zei dat we erover moesten nadenken. Dat was blijkbaar het verkeerde antwoord.
Henk keek naar het aanrecht en zei: “Ik dacht eigenlijk dat ik dit niet hoefde uit te leggen. Wij doen toch alles voor elkaar?”
Het werd stil. Niet boos stil, eerder het soort stilte waarin je merkt dat iedereen iets anders gehoord heeft. Hij bedoelde waarschijnlijk: ik verdrink, pak mijn hand. Maar bij mij kwam het binnen als: jullie tijd is nu van ons.
Op de terugweg zei Ellen bijna niets. Thuis zette ze haar schoenen uit, hing haar jas op en begon de vaatwasser uit te ruimen terwijl die al schoon en leeg was. Pas later, aan tafel, zei ze: “Drie dagen wonen bij andere mensen is geen helpen meer, Bas.”
Ik werd kwaad op haar, wat oneerlijk was. Ik zei dat Henk geen vreemde was. Dat Marja ons nodig had. Ellen zei dat zij dat wist, maar dat niemand ons had gevraagd of wij dit aankonden. Zij heeft zelf reuma in haar handen en slechte nachten trekken haar helemaal leeg. Bovendien, zei ze, Marja kan soms ineens scherp uit de hoek komen. Vorige maand beschuldigde ze Ellen ervan dat ze haar portemonnee had verstopt. Een uur later lag die portemonnee in de broodtrommel. Marja wist er niets meer van, maar Ellen was er twee dagen beroerd van geweest.
Ik dacht aan die opmerking van Henk: echte vrienden.
Alsof ik geen echte vriend ben wanneer ik niet drie nachten per week op een opklapbed ga liggen en mijn eigen leven in stukken knip. Tegelijkertijd schaam ik me al als ik het zo formuleer. Want hij ligt daar ook niet voor zijn plezier. Hij is moe, bang en waarschijnlijk wanhopiger dan hij laat merken.
We hebben uiteindelijk niet meteen ja gezegd. Wel zijn we die maandag gegaan, omdat Marja die ochtend erg onrustig was geweest. De eerste avond verliep rustig. We aten stamppot die Henk al had klaargezet. Marja vertelde drie keer dat ze vroeger bij V&D op de huishoudafdeling had gewerkt. De derde keer vulde Henk haar niet aan en corrigeerde hij haar ook niet. Hij keek alleen naar zijn bord.
Die nacht hoorde ik haar om kwart over drie door de gang lopen. Ellen was er al uit. Marja stond met haar jas aan bij de voordeur en vroeg waar haar moeder bleef. Ellen legde haar arm om haar heen en zei dat ze eerst nog even thee zouden drinken. Zo simpel klonk dat. Maar ik zag aan Ellen dat ze trilde toen ze terug in bed kwam.
Dinsdagochtend ging Henk naar zijn werk. Hij zei bij de deur: “Fijn dat jullie dit doen.” Niet: fijn dat jullie willen proberen. Niet: we kijken wel hoe het gaat. Gewoon alsof het geregeld was.
Ik heb die middag de casemanager dementie gebeld, met medeweten van Henk. Zij kwam twee dagen later langs en vertelde over mogelijkheden voor begeleiding thuis, een zorggroep, respijtzorg en dagactiviteiten. Henk luisterde beleefd, maar na afloop zei hij: “Ja, maar dat zijn allemaal mensen die haar niet kennen.”
Dat klopt. En toch kunnen wij niet de enige vaste mensen worden rondom Marja. Dat heb ik hem gisteren gezegd, aan de telefoon. Mijn stem sloeg over, belachelijk genoeg. Ik heb gezegd dat we willen blijven helpen, bijvoorbeeld een vaste middag en af en toe een nacht als het echt nodig is. Maar niet standaard drie dagen wonen. Niet voor onbepaalde tijd.
Hij zei lang niets.
Toen zei hij: “Ik had meer van jullie verwacht.”
Sindsdien heeft hij niet meer gebeld. Marja stuurde vanmiddag via WhatsApp een foto van een bos tulpen op tafel, zonder tekst. Ik weet niet eens zeker of zij hem zelf gestuurd heeft.
Onze camper staat nog steeds bij de stalling. De Vogezen voelen opeens als iets waar ik me bijna schuldig over moet voelen. Maar vanavond ga ik Henk toch weer bellen. Niet om terug te komen op onze grens. Wel om te vragen hoe de nacht was en of hij morgen meegaat naar dat gesprek over dagbesteding.
Ik weet alleen niet of hij opneemt.