Mijn vrouw wil dichtbij de kleinkinderen blijven, maar ik wil eindelijk naar Portugal
Vorige week zat ik op zolder tussen de verhuisdozen die we eigenlijk nog helemaal niet nodig hadden. Oude belastingmappen, een kapotte schemerlamp, een doos met kerstspullen waar Els altijd te vroeg mee begint. Ik zocht de map met de papieren van ons huis, omdat de makelaar uit Portugal om een paar gegevens had gevraagd.
Toen zag ik op het scherm van de oude laptop een tabblad openstaan. Funda. Appartementen in Deventer, maximaal tien minuten fietsen van onze dochter Marije.
Er stonden er zeker twaalf opgeslagen. Sommige met opmerkingen van Els erbij, blijkbaar in haar eigen documentje. “Lichte woonkamer.” “Dicht bij station.” “Misschien te veel trappen.” Bij één appartement stond: “Handig voor oppassen, ook als we ouder worden.”
Dat laatste zinnetje bleef veel harder hangen dan ik wil toegeven.
Ik ben 67, Els is 65. Ik werkte 42 jaar bij een installatiebedrijf in Zutphen, eerst buiten als monteur, later als planner. Els heeft jarenlang in een apotheek gewerkt en tussendoor alles thuis draaiende gehouden toen de kinderen klein waren. We hebben nooit slecht geleefd, maar ook nooit zomaar gedaan waar we zin in hadden. Eerst de hypotheek, toen de studie van Marije en Bas, daarna hielpen we Bas toen hij na zijn scheiding tijdelijk krap zat. Dat deden we graag, begrijp me niet verkeerd. Het zijn onze kinderen.
Maar al die jaren had ik één beeld in mijn hoofd. Een huisje in Portugal. Geen villa met zwembad en van die Nederlandse vlaggetjes aan de gevel. Gewoon een oud huis aan de rand van een dorp, met grond erbij. Sinaasappelbomen misschien, een moestuin, een schuur waar ik kan rommelen. ’s Ochtends koffie in de zon, en dan zien wat er die dag gedaan moet worden.
Ik heb altijd graag in de tuin gewerkt. Hier hebben we een rijtjeshuis met een tuin van, wat zal het zijn, negen meter diep. Ik heb er alles uitgehaald wat erin zat. Bonen langs een rek, tomaten in bakken, aardbeien waar de kleinkinderen meer van plukken dan er ooit rijp worden. Els noemde het vroeger mijn postzegelparadijs.
Portugal kwam niet uit de lucht vallen. We zijn er de laatste zes jaar vier keer geweest, steeds buiten het hoogseizoen. We reden door de Alentejo, aten in kleine restaurantjes waar niemand Engels sprak en waar je voor twaalf euro nog een pan vis op tafel kreeg. Els vond het ook mooi. Dat zegt ze nu nog steeds. Ze zei toen dingen als: “Hier zou ik best kunnen wennen.” Misschien heb ik daar te veel van gemaakt. Misschien wilde ik het gewoon te graag horen.
Toen ik haar die avond vroeg naar die appartementen, werd ze eerst heel stil. Ze stond aardappels af te gieten en zette de pan zo hard op het fornuis dat het deksel eraf schoof.
“Je had ook gewoon kunnen vragen wat ik aan het kijken was,” zei ze.
“Waarom heb je het dan niet verteld?”
“Omdat jij al weken nergens anders meer over praat dan dat huis in São Martinho.”
Het huis in São Martinho. Een klein wit huis, twintig minuten van Beja, met een stuk grond erachter en een oude waterput die volgens de makelaar nog bruikbaar is. Er moet veel aan gebeuren. De badkamer is ouderwets, de elektra waarschijnlijk ook. Juist daarom is het binnen ons budget. De eigenaar woont in Lissabon en wil er snel vanaf. Er zijn meer geïnteresseerden, zei de makelaar. Dat zal ongetwijfeld deels verkooppraat zijn, maar het huis staat er echt aantrekkelijk bij.
Ik zei: “Ik dacht dat we dit samen wilden.”
Els draaide zich om. Ze had nog een theedoek in haar hand.
“Wij wilden weg uit dit grote huis. Dat is iets anders dan voorgoed aan de andere kant van Europa gaan wonen.”
Ik weet dat Portugal geen Australië is. Je vliegt vanaf Eindhoven of Schiphol in een paar uur die kant op. Maar met kleine kinderen, banen, zwemles, verjaardagen en gewone levens is ‘even’ toch niet even. Marije heeft twee kinderen van vijf en zeven. Bas heeft een dochter van drie. Nu zien we ze soms twee keer per week. Niet altijd lang, vaak rommelig. Even ophalen van school, een boterham smeren, op woensdagmiddag naar de speeltuin. Maar het zijn juist die gewone momenten waar Els aan hangt.
Ze zei dat ze bang was om oma op een scherm te worden. Iemand die met kerst een pakket opstuurt en in de zomer twee weken komt logeren.
Daar had ik niet direct een antwoord op. Want ik snap dat. Ik wil ook niet alleen opa zijn als er vakantie gepland moet worden.
Maar ik werd ook boos. Niet eens alleen vanwege die appartementen. Meer omdat het klonk alsof ik egoïstisch was omdat ik na al die jaren iets voor mezelf wilde. Alsof ik haar en de kinderen in de steek laat door te willen wonen op een plek waar ik me, eerlijk gezegd, al jaren lichter voel dan hier.
Ik zei dingen die niet netjes waren. Dat zij altijd alles om de kinderen laat draaien. Dat Marije en Bas volwassen mensen zijn met hun eigen huizen en banen. Dat wij niet klaar hoeven te staan alsof we een gratis oppasdienst zijn.
Dat was gemeen, want Els past niet op omdat iemand het eist. Ze doet het omdat ze ervan geniet. En ik geniet er ook van, alleen blijkbaar op een andere manier.
De volgende ochtend belde de Portugese makelaar. Hij zei dat de eigenaar uiterlijk vrijdag een serieus bod wilde. Ik stond in de bijkeuken met mijn telefoon tegen mijn oor, terwijl Els boven de ramen stond te zemen. Ik kon haar emmer over de vloer horen schuiven.
Ik heb gezegd dat ik het met mijn vrouw moest bespreken.
Die middag zijn we naar Marije gegaan, omdat we sowieso zouden oppassen. Els had voorgesteld om het niet meteen tegen de kinderen te zeggen, maar ik vond dat onzin. Achteraf denk ik dat zij vooral bang was dat ze zouden reageren zoals ik hoopte: dat ze zouden zeggen dat we het moesten doen.
Marije reageerde helemaal niet zo. Ze werd bleek en zei eerst: “O, wauw.” Daarna vroeg ze hoe vaak we dan terug zouden komen. Haar man Jeroen zat aan tafel en zei dat hij het ons gunde, maar dat hij wel eerlijk wilde zijn: de kinderen zouden ons enorm missen.
Bas belde later die avond. Hij zei dat hij het vooral jammer zou vinden, maar dat hij begreep dat we niet voor altijd in Nederland hoefden te blijven omdat hij ooit in de buurt was gaan wonen. Dat vond Els pijnlijker dan wanneer hij boos was geworden, geloof ik.
Vrijdag hebben we geen bod gedaan.
Ik heb dat zelf aan de makelaar doorgegeven. Hij klonk teleurgesteld, maar niet verbaasd. Huizen gaan voorbij, zei hij. Dat is waar, natuurlijk. Toch voelde het alsof ik ergens te laat op een trein had gereageerd, terwijl ik al op het perron stond.
Els heeft inmiddels een bezichtiging gepland bij een appartement in Deventer. Twee slaapkamers, balkon op het westen, lift. Ik ga mee, heb ik gezegd. Niet omdat ik ineens enthousiast ben over een balkon met uitzicht op een parkeerplaats, maar omdat ik niet wil dat zij alleen moet kiezen.
Tegelijk heb ik haar gevraagd of we niet kunnen kijken naar een andere vorm. Een halfjaar Portugal, een halfjaar hier. Zij vindt dat voorlopig te onrustig en te duur, zeker als we twee plekken moeten onderhouden. Daar heeft ze gelijk in. Ik weet alleen ook dat ik bang ben dat ‘voorlopig niet’ uiteindelijk gewoon ‘nooit’ wordt.
Vanavond ga ik de tomatenplanten aanbinden. Els is met onze kleindochter naar zwemles. In de keuken ligt de brochure van dat appartement op tafel, naast een printje van het huis in São Martinho dat ik blijkbaar toch niet heb weggegooid.
Ik weet niet welk papier ik als eerste moet opruimen.