Mijn man zei tijdens ons vaste vrijdagdiner dat ik ermee stopte, en ineens keek iedereen naar mij

Ik had die vrijdagmiddag al drie keer gekeken of de zalm wel op tijd ontdooid was. Niet omdat het ingewikkeld was, zalm uit de vriezer halen is geen hogere wiskunde, maar omdat ik de hele week al slecht sliep. De boodschappenlijst lag op het aanrecht, met mijn handschrift erdoorheen gekrast: geen koriander voor Henk, lactosevrije room voor Els, voor Marja liever geen rauwe ui.

We doen al bijna dertig jaar een vast diner met z’n achten. Ooit begonnen we ermee toen onze kinderen klein waren en we allemaal in dezelfde nieuwbouwwijk in Amersfoort woonden. Eerst aten we patat met kinderen die door de kamer renden. Later kwamen er vakantiefoto’s, scheidingen van ouders, nieuwe banen, zieke honden, kleinkinderen. De kinderen zijn al lang de deur uit, twee stellen wonen inmiddels in andere plaatsen, maar iedere vrijdag om half zeven zitten we nog steeds bij elkaar aan tafel. Om de beurt, officieel.

Alleen ben ik degene geworden die het regelt.

Niet bewust, denk ik. Iemand stuurde ooit op maandag: ‘Waar eten we vrijdag?’ En dan maakte ik een schema. Daarna kwamen de appjes: ‘Mag ik volgende week ruilen?’ ‘Kun je rekening houden met mijn dieet?’ ‘Wij zijn misschien iets later, red jij het voorgerecht?’ Voor ik het wist, wist iedereen dat ze mij konden vragen.

Mijn man, Rob, zei de laatste twee jaar steeds vaker dat ik moest ophouden.

‘Je bent woensdag al bezig met vrijdag,’ zei hij dan.

Ik maakte het kleiner. ‘Ach joh, het is maar een groepsapp.’

Maar het was niet maar een groepsapp. Het waren veertig berichten over wie wanneer kon, een vergeten verjaardag die toch nog in het diner moest worden verwerkt, mensen die bij mij informeerden of Piet en Carla misschien ruzie hadden omdat zij twee weken niet reageerden. Alsof ik de secretaresse van een vereniging was die niemand officieel had opgericht.

Sinds ik vorig jaar minder ben gaan werken in de apotheek, zou ik juist rustiger aan doen. Mijn knie speelde op en ik was na een paar drukke dagen vaak helemaal leeg. Toch stond ik op vrijdag om negen uur al in de supermarkt. Rob deed heus veel: hij kookte geregeld, haalde wijn, zette stoelen erbij. Maar de lijstjes, het onthouden, het opvangen van iedereen, dat bleef bij mij.

‘Je hoeft niet alles overeind te houden,’ zei hij een keer toen ik huilend boven de pan risotto stond te roeren omdat Els een uur van tevoren afzei en ik me toch schuldig voelde dat ik geen alternatief voor haar had bedacht.

Ik werd toen boos. Echt boos.

‘Jij snapt niet wat die avonden voor me betekenen.’

Dat was niet helemaal eerlijk. Rob kent die mensen net zo lang als ik. Maar voor hem is het een gezellige avond. Voor mij is het ook bewijs dat er iets is gebleven. Mijn moeder overleed toen ik 54 was, mijn zus woont in Frankrijk en met mijn dochter heb ik een paar moeilijke jaren gehad. Die vrijdagavondgroep voelde als iets waar ik niet uit kon vallen zolang ik maar zorgde dat iedereen erin bleef.

Die avond hadden we Marja en Henk bij ons. Ik had de tafel extra groot gemaakt met een plank ertussen, zoals altijd. Het servies was een rommeltje van verschillende sets, maar dat vonden we vroeger juist leuk. Om kwart over zeven waren ze er allemaal. Jasper begon meteen over de verbouwing van hun badkamer. Carla liet foto’s zien van haar kleinzoon in een veel te groot PSV-shirt.

Ik merkte dat ik nauwelijks luisterde. Mijn schouders deden pijn. Ik keek steeds naar de keuken, naar de saus die nog op laag vuur stond.

Toen zei Els, heel luchtig: ‘Anja, jij hebt toch al bedacht hoe we het met Pasen doen? Wij kunnen alleen de tweede paasdag.’

Ik had nog niet eens nagedacht over Pasen. Het was begin februari.

Ik lachte zoals ik altijd lach als iemand iets bij mij neerlegt. ‘Ik kijk wel even.’

Rob legde zijn vork neer.

Dat geluid weet ik nog. Niet hard, maar iedereen hoorde het omdat er net een stilte viel.

Hij zei: ‘Nee, Anja kijkt niet wel even. Vanaf nu regelt Anja dit niet meer alleen.’

Ik dacht eerst dat hij een grap maakte. Hij keek niet naar mij, maar naar de rest van de tafel.

‘Ze is er veel te veel tijd aan kwijt. En eerlijk gezegd zijn we er allemaal nogal gemakkelijk in geworden. Als er geen rooster en verdeling komt, stoppen we met die diners bij ons. Ook met het regelen van de rest.’

Ik voelde mijn gezicht heet worden. Niet omdat hij ongelijk had, dat maakte het juist zo vervelend. Hij had het niet met mij besproken dat hij dit zo zou zeggen. Wel vaak gezegd dat hij het wilde, maar niet zo. Niet midden tussen de aardappelpuree en de zalm.

Marja keek alsof Rob had gezegd dat we gingen scheiden.

‘Maar Anja, je doet het toch graag?’ zei ze zacht.

En daar zat precies alles in waar ik zo moe van was. Geen kwaadheid. Geen ondankbaarheid op een gemene manier. Gewoon die vanzelfsprekendheid.

Henk zei: ‘We dachten echt dat het een beetje jouw ding was.’

Ik had kunnen zeggen: dat was het ook. Of: jullie hadden het ook kunnen vragen. In plaats daarvan zei ik niets. Ik stond op, zogenaamd om de saus te controleren, en in de keuken keek ik naar de tegelwand alsof daar iets nuttigs op stond.

Rob kwam achter me aan.

‘Sorry,’ zei hij. ‘Maar ik kon het niet meer aanzien.’

‘Je hebt me voor schut gezet.’

‘Misschien. Maar jij zet jezelf iedere week voor schut door te doen alsof je nergens last van hebt.’

Dat was hard. En ook niet helemaal waar. Ik doe niet alsof. Ik wist alleen niet hoe ik ermee moest stoppen zonder het gevoel te krijgen dat ik iedereen in de steek liet.

De rest van de avond bleef vreemd. Niet ruzieachtig, eerder voorzichtig. Jasper stelde voor om een gedeelde agenda te maken. Carla zei dat ze best vaker wilde koken, maar dat ze niet wist wanneer ze aan de beurt was. Els bood aan de groepsapp te beheren. Ik hoorde het aan en voelde vooral weerstand. Alsof ze mijn baan aan het overnemen waren, terwijl het geen baan was waar ik ooit om had gevraagd.

Na elf uur waren ze weg. De vaat stond overal. Rob en ik ruimden zwijgend op. Pas toen hij een bord te hard in de vaatwasser zette, zei ik: ‘Ik wil niet dat ze denken dat ik zielig ben.’

Hij draaide zich om. ‘Ik wil dat jij niet zó moe bent dat je op zaterdagmiddag moet bijkomen van je eigen vrienden.’

De maandag daarna stuurde Els een schema in de groep. Keurig met kleuren. Iedereen had eenmaal per acht weken een datum. Ze had zelfs een kolom gemaakt voor allergieën, wat ik irritant vond omdat ik die informatie natuurlijk al uit mijn hoofd kende.

De eerste weken liep het stroef. Henk vergat dat hij aan de beurt was en bestelde pizza. Jasper vroeg mij alsnog of zijn menu ‘een beetje kon’. Marja stuurde apart een berichtje: ‘Gaat het wel goed tussen jou en Rob?’ Daar heb ik twee dagen niet op gereageerd.

Maar vorige vrijdag aten we bij Carla en Piet. Carla had veel te veel gemaakt en de soep was te zout. Niemand ging dood, niemand voelde zich buitengesloten, de groep viel niet uiteen. Ik had alleen een fles wijn meegenomen en om zes uur mijn jas aangetrokken.

Toch zat ik de hele autorit naar huis met een brok in mijn keel. Niet omdat ik terug wilde naar hoe het was. Eerder omdat ik pas nu merkte hoeveel ik ervan had gemaakt dat iedereen mij nodig had.

Rob vroeg bij het stoplicht of ik spijt had dat hij zijn mond had opengedaan.

Ik zei: ‘Vandaag niet.’

En thuis liet ik de telefoon in mijn tas zitten, ook toen hij twee keer trilde.