Mijn man wil een huisje in Spanje, maar ik ben bang dat ik daarmee ook mijn beste vrienden verlies
Vorige week stond ik op donderdagmiddag alleen een pan erwtensoep op te warmen voor twee personen, terwijl ik automatisch vier kommen uit de kast pakte.
Dat is misschien een klein, stom detail, maar ik moest er zo om huilen dat ik de deksel weer op de pan heb gedaan en naar boven ben gegaan. Donderdag is al jaren onze vaste avond. Bert en Anja bij ons, of wij bij hen. Eerst koffie, dan eten wat er toevallig is, daarna kaarten of een serie waar niemand echt goed naar kijkt. Soms duurt het tot half twaalf. Soms zitten we om negen uur alweer met onze jas aan bij de deur, omdat Anja de volgende ochtend op haar kleindochter past.
Het zijn geen spectaculaire avonden. Juist daarom betekenen ze zo veel voor me.
Wij kennen Bert en Anja sinds 1983, van de camping in Ommen. Onze kinderen waren klein, hun oudste zat net op de basisschool. Henk en Bert raakten aan de praat bij de afwasplaats over een lekke vouwwagen, en de rest is eigenlijk vanzelf gegaan. We hebben samen vakanties gedaan, verjaardagen, verbouwingen, begrafenissen. Toen Henk twaalf jaar geleden zijn hartoperatie kreeg, bracht Bert bijna iedere ochtend mijn fietsband op spanning omdat ik steeds naar het ziekenhuis fietste en nergens aan dacht. Toen Anja borstkanker had, reed ik met haar naar de controles als Bert moest werken.
Je denkt dan niet: dit is mijn sociale vangnet. Je denkt gewoon: zo doen we het met elkaar.
Sinds we met pensioen zijn, is die vriendschap nog belangrijker geworden. Onze kinderen wonen niet om de hoek. Onze dochter zit in Zwolle en onze zoon met zijn gezin in Eindhoven. We zien ze geregeld, hoor, maar ze hebben hun eigen drukte. Bert en Anja zijn de mensen die weten dat ik een hekel heb aan bellen, die zonder aankondiging soep op de stoep zetten als je verkouden klinkt. Zij zijn dichtbij.
Henk heeft het afgelopen jaar alleen nog maar over Spanje.
Niet over overwinteren met een caravan, wat we al een paar keer hebben gedaan. Hij wil een klein appartement kopen, ergens bij Dénia of Jávea. Twee slaapkamers, een balkon, niet te ver van het strand. Hij heeft al bezichtigingen opgeslagen op Funda in het buitenland, alsof dat de normaalste zaak van de wereld is. Hij stuurt mij filmpjes van witte straatjes en sinaasappelbomen terwijl ik boodschappen doe.
‘Kijk nou, Marjan. Dit is toch prachtig?’ zegt hij dan.
En ja, het is prachtig. Dat heb ik ook nooit ontkend.
Maar zodra ik vraag wat hij precies voor zich ziet, zegt hij: ‘Van november tot maart daar. Misschien oktober ook nog. Gewoon zolang we nog kunnen.’
Alsof ‘zolang we nog kunnen’ ieder gesprek meteen dichtklapt.
Ik ben 66. Henk is 68. We zijn gezond genoeg, op zijn cholesterol en mijn stijve knie na. Ik begrijp heus dat je niet eeuwig moet wachten. Alleen: hij praat erover alsof ik een koffer ben die hij in de auto kan zetten. Alsof mijn leven hier alleen uit een rijtjeshuis en wat plantjes bestaat.
Hij zegt dat ik in Spanje ook vrienden kan maken. Daar krijg ik het dan benauwd van. Ik hoef geen vrienden te maken bij een jeu-de-boulesbaan met mensen die ik alleen ken van hun ligstoel. Misschien klinkt dat onaardig. Maar ik wil niet opnieuw beginnen nu ik eindelijk mensen heb bij wie ik niets hoef uit te leggen.
De eerste keer dat het echt misging, zaten we bij Bert en Anja in de serre. Bert had wijn ingeschonken en Henk vertelde enthousiast dat hij contact had met een Nederlandse makelaar aan de Costa Blanca.
‘Je moet het doen, jongen,’ zei Bert meteen. ‘Als je het kunt betalen, waarom niet? Je hebt je hele leven gewerkt.’
Henk keek op een manier naar hem die ik in tijden niet had gezien. Bijna opgelucht.
Anja zei: ‘En wij komen dan een weekje langs in februari. Lekker toch?’
Ik weet nog dat ik mijn glas neerzette. Niet hard, maar toch hoorde iedereen het.
‘Nou,’ zei ik, ‘het is niet alsof ik er heel erg om sta te springen.’
Er viel zo’n stilte waarin iedereen ineens naar de schaal nootjes kijkt.
Henk zuchtte. Hij doet dat de laatste tijd veel als ik iets zeg over Spanje. ‘Daar gaan we weer.’
Dat kwam hard aan. Niet eens omdat hij het oneens met me was, maar omdat hij deed alsof ik vervelend was geworden. Alsof ik een terugkerend probleem ben in plaats van zijn vrouw.
Na die avond is er iets verschoven met Bert en Anja. Misschien vooral in mijn hoofd, dat kan ook. Maar Anja appt mij vaker met dingen als: “Je moet Henk zijn droom ook gunnen.” Of: “Probeer het niet zo zwaar te maken, jullie kunnen toch altijd terug?”
Altijd terug. Alsof je een trein mist en de volgende pakt.
Ik ben daar boos om geworden en daar schaam ik me ook voor. Ik ben Anja gaan bellen op momenten dat ik wist dat Bert weg was. Dan vertelde ik weer dat Henk al naar Spanje wilde voor een tweede bezichtiging, of dat hij onze spaarrekening erbij had gepakt. Een keer zei ze, heel voorzichtig: ‘Marjan, ik snap dat je bang bent, maar je belt me nu bijna elke dag.’
Ik zei dat dat onzin was. Het was geen onzin. Die week had ik haar vier keer gebeld.
Daarna belde ze twee dagen niet terug. Twee dagen. Ik voelde me toen alsof ik zestien was en buiten een vriendinnengroep viel. Het is gênant om dat op mijn leeftijd te zeggen, maar zo was het wel.
Henk merkte het natuurlijk. Hij zei dat ik Bert en Anja niet tussen ons in moest trekken. Daar had hij gelijk in. Tegelijkertijd had hij hen zelf al wel meegenomen in zijn plan, want bij Bert kreeg hij de steun die hij van mij niet kreeg.
Vorige maand zijn Henk en ik toch samen naar Spanje gegaan. Drie dagen. Hij wilde dat ik het met eigen ogen zou zien. Het appartement lag in een nette straat, tien minuten lopen van de boulevard. Klein, maar licht. Vanaf het balkon zag je een strook zee tussen twee gebouwen door. De makelaar praatte snel en vrolijk, Henk knikte bij alles.
Ik stond in de tweede slaapkamer en keek naar twee smalle bedden. Ineens zag ik Anja daar liggen met haar leesbril op haar hoofd en Bert die ’s ochtends veel te vroeg koffie zet. En toen dacht ik niet: wat gezellig. Ik dacht alleen maar: ze komen misschien één keer. Misschien niet eens dat.
In het vliegtuig terug zei Henk dat hij het appartement wilde bieden.
Ik heb eerst niets gezegd. Op Schiphol, bij de bagageband, vroeg hij het nog een keer.
‘Wil je dit nou echt niet?’
Ik zei: ‘Ik wil jou niet kwijtraken aan een leven waar ik niet in pas.’
Hij keek me aan alsof ik iets onredelijks zei. Daarna pakte hij onze koffer van de band en liep alvast door. Buiten regende het. We stonden twintig minuten op de bus te wachten zonder echt te praten.
Hij heeft uiteindelijk nog geen bod gedaan. Niet omdat hij van gedachten is veranderd, maar omdat ik heb gezegd dat ik niet teken voor iets waar ik nu alleen maar bang voor ben. Hij kan het financieel waarschijnlijk ook niet alleen regelen zonder dat we alles anders moeten gaan verdelen. Dat weet hij. Ik voel me daar soms schuldig over, alsof ik mijn hand op zijn schouder leg om hem tegen te houden.
Aan de andere kant denk ik: wanneer wordt mijn leven een volwaardig onderdeel van deze beslissing?
Vanavond is het donderdag. Bert en Anja komen niet; Anja heeft griep. Henk zit aan de eettafel met zijn laptop open. Ik zie aan zijn gezicht dat hij weer naar huizen kijkt, maar hij doet alsof hij zijn mail leest.
De erwtensoep staat inmiddels in bakjes in de vriezer. Vier porties, want minder maken kan ik blijkbaar nog niet.