Mijn man wil van mijn toekomstige atelier een B&B maken, omdat mijn droom volgens hem niet opweegt tegen onze bouwschuld

De ruimte waar we nu ruzie over maken, staat vol met gipsplaten, twee emmers opgedroogde muurverf en een oude fiets van onze zoon die hij twaalf jaar geleden bij ons heeft achtergelaten. Er zit nog geen vloer in. Als het regent, ruik je vocht en oud hout. Toch zie ik er al maanden iets heel anders.

Een lange werktafel bij het raam. Mijn doeken tegen de achterwand. Geen schildersezel meer die ik iedere zondagavond moet inklappen omdat we maandag aan de eettafel willen eten. Een plek waar ik mensen kan ontvangen zonder dat ik eerst de wasmand naar boven hoef te sjouwen.

Het klinkt misschien overdreven, op mijn tweeënzestigste. Alsof ik ineens denk dat ik nog ontdekt ga worden. Dat is het niet eens. Ik wil gewoon niet langer schilderen alsof ik ergens tijdelijk mag zitten.

Ons huis aan de gracht in Dordrecht is prachtig, zeggen mensen altijd. En dat is het ook, tenminste van buiten. Hoge ramen, een scheve voordeur, een geveltje waar toeristen soms een foto van maken. Mijn ouders vonden het destijds volkomen onverantwoordelijk dat we het kochten. Dat was in 1998, toen we nog dachten dat we alles konden opknappen met wat spaargeld, een lening en de hulp van vrienden die goed waren met elektriciteit of een schuurmachine.

We hebben er drie kinderen grootgebracht. We hebben jarenlang steeds één kamer gedaan als er geld was. De keuken, twintig jaar geleden. Het dak, tien jaar terug. En nu, na mijn moeders overlijden en een kleine erfenis, hebben we besloten om het grondiger aan te pakken. Fundering, leidingen, isolatie, alles wat je niet op Instagram zet maar waar wel rekeningen voor komen.

De planning was achttien maanden. We zitten nu in jaar drie.

Mijn man, Erik, is vierenzestig en heeft altijd in de logistiek gewerkt. Hij is goed met overzichten. Niet op een irritante manier, meestal. Hij weet precies wat er nog op de gezamenlijke rekening staat, wanneer de hypotheekrente opnieuw wordt vastgesteld en hoeveel duurder de boodschappen zijn geworden zonder dat je daar echt betere boodschappen voor krijgt.

Ik heb lang in het basisonderwijs gewerkt, eerst vier dagen, later minder toen de kinderen klein waren. Daarna heb ik mijn vader geholpen toen hij ziek werd. Schilderen deed ik tussendoor. ’s Avonds, in vakanties, aan de keukentafel. Soms verkocht ik iets op een markt of via via. Niet veel. Genoeg om verf te kopen en af en toe een lijst te laten maken.

Toen ik vorig jaar met een paar werken in een groepsexpositie hing in een galerie in Rotterdam, zei iemand tegen me: “Waarom heb jij eigenlijk geen atelier waar mensen langs kunnen komen?”

Ik weet nog dat ik daar bijna om moest lachen. Alsof het zo eenvoudig was. Maar het bleef in mijn hoofd zitten.

Erik wist vanaf het begin dat ik die ruimte beneden als atelier wilde. Dat was ook besproken toen we met de architect aan tafel zaten. Hij knikte toen en zei: “Ja, als we het toch doen, moeten we het goed doen.”

Maar de bedragen werden groter. Natuurlijk werden ze groter. Bij een monumentaal pand komt er altijd iets achter een wand vandaan waar niemand op gerekend heeft. Rotte balkkoppen. Lood. Een afvoer die blijkbaar door de muur van de buren liep, of andersom, ik weet het nog steeds niet precies.

Vorige week kwam de aannemer, Marcel, aan het eind van de middag binnen met dat gezicht. Niet dramatisch, eerder voorzichtig. Hij had zijn jas nog aan en keek steeds naar zijn telefoon.

“Er is iets bij de balklaag,” zei hij. “Ik heb het liever meteen eerlijk gezegd.”

Dat zinnetje maakte me al misselijk.

Er moest nog ruim achtentwintigduizend euro bij. Misschien iets minder, zei hij, maar hij wilde geen beloftes doen. Erik zat aan de tijdelijke keukentafel, een inklapding van de bouwmarkt, met zijn leesbril op. Hij stelde rustige vragen. Veel te rustige vragen, vond ik op dat moment.

Ik stond bij het raam en keek naar buiten, naar een vrouw met een hond die altijd zonder haast langsloopt. Ik hoorde Marcel praten over veiligheid, constructie en dat het anders later alleen maar duurder werd.

Die avond aten we pasta uit een pan, omdat de keuken nog steeds niet af is. Erik had zijn laptop open. Ik hoorde hem typen. Eerst dacht ik dat hij naar onze spaarrekening keek.

Toen zei hij: “Ik heb even gekeken wat een nette B&B-kamer hier gemiddeld opbrengt.”

Ik zei niks. Echt, ik zei een paar seconden helemaal niks, omdat ik dacht dat ik hem verkeerd verstaan had.

“Beneden,” ging hij door. “Met eigen badkamer, aparte ingang eventueel. Dat zou ons serieus lucht geven. Niet alles oplossen, maar wel een deel van de extra lening.”

Ik vroeg: “En mijn atelier dan?”

Hij keek op alsof ik de vraag ingewikkelder maakte dan nodig was. “Je kunt boven toch een kamer gebruiken? Als de zolder straks geïsoleerd is, is dat best een fijne plek.”

De zolder. Onder het schuine dak, met één klein raam en net genoeg ruimte om niet met mijn hoofd tegen een balk te lopen.

Ik zei dat het niet hetzelfde was. Dat wist hij ook wel. Hij zuchtte toen en zei iets wat hij volgens mij zelf niet eens hard vond, maar waar ik nog steeds wakker van lig.

“Marloes, we kunnen niet doen alsof die ruimte niets waard is.”

Dat was het moment waarop ik begon te huilen. Niet mooi huilen. Gewoon boos, met snotteren en veel te hard praten. Ik zei dat hij blijkbaar vond dat ik niets waard was. Dat mijn werk altijd een hobby was zolang het geen maandelijkse inkomsten opleverde.

Dat vond hij onredelijk. En misschien was het ook onredelijk, maar ik kon niet meer terug.

Hij zei: “Dat zeg ik helemaal niet. Ik zeg dat we met pensioen gaan. Jij bent al gestopt, ik stop volgend jaar. We hebben straks geen ruimte om romantische keuzes te maken.”

Romantische keuzes. Alsof ik vroeg om een boot in de haven of een tweede huis in Frankrijk.

De dagen erna praatten we vooral praktisch. Over offertes, over het bouwdepot, over of we onze dochter wel moesten vertellen dat het tegenzat. We sliepen in hetzelfde bed, maar ik lag vaak met mijn rug naar hem toe. Hij ook, denk ik. Soms hoorde ik hem beneden nog laat kastjes dichtdoen, terwijl er nauwelijks kastjes zijn om dicht te doen.

Afgelopen zondag kwam onze jongste zoon met de kleinkinderen koffie drinken. De kinderen renden door het huis alsof het een spannend museum was. De oudste, Liv, vroeg waarom er in de woonkamer plastic voor de ramen hing. Ik zei dat opa en oma een beetje aan het klussen waren.

Erik keek me toen even aan. Niet boos. Eerder moe.

Later, toen iedereen weg was, liep ik naar beneden. Marcel had met tape de plek aangegeven waar de badkamer zou kunnen komen. Voor de B&B dus. Ik stond daar een tijd naar te kijken. Het was zo concreet ineens: een douche, een toilet, misschien een mandje met thee en koffiepads. Mensen met rolkoffers die aan onze deur bellen terwijl wij boven zitten te fluisteren of ze vannacht weer lawaai maken.

En tegelijkertijd zag ik de rekening van achtentwintigduizend euro voor me. Erik die nog langer doorwerkt terwijl hij al last heeft van zijn knie. Wij die over vijf jaar misschien spijt hebben dat we niet verstandiger zijn geweest.

Ik weet heus dat hij mij niet klein wil houden. Hij heeft vroeger mijn doeken naar markten gereden. Hij heeft eens een hele middag labels geplakt voor een expositie, zonder te klagen. Maar sinds die berekening op zijn laptop voelt het alsof hij naar mijn atelier kijkt en alleen een gemiste opbrengst ziet.

Vanmorgen zei hij bij het koffiezetten dat Marcel uiterlijk vrijdag moet weten hoe de leidingen beneden moeten lopen.

Ik zei: “Ik kan niet beslissen alsof het alleen om een plattegrond gaat.”

Erik roerde in zijn koffie en antwoordde niet meteen.

Toen zei hij: “Ik ook niet, Marloes. Maar vrijdag komt wel gewoon.”

Nu zit ik boven aan de eettafel te schilderen op een doek dat eigenlijk te groot is voor deze kamer. Mijn elleboog stoot steeds tegen de lamp. Beneden hoor ik iemand boren. Ik weet nog niet wat ik vrijdag ga zeggen. Misschien weet Erik het ook niet, ondanks al zijn spreadsheets.