Na ruim dertig jaar vriendschap heb ik tegen mijn vriendin gezegd dat ik niet langer haar vaste vangnet kan zijn

Ik heb drie weken geleden het geluid van onze groepsapp uitgezet. Niet omdat er ruzie was in de app, juist niet. Er stonden foto’s in van een kleinkind op een loopfiets, een aanbieding voor terrasstoelen bij de Intratuin en iemand die vroeg wie er zondag naar de markt in Deventer ging. Maar iedere keer als ik dat groene rondje zag, kreeg ik een soort druk op mijn borst.

Wij zijn met z’n achten, vier stellen, en we kennen elkaar ruim dertig jaar. Vroeger zaten we bij elkaar in de straat, toen we nog jonge kinderen hadden en allemaal dachten dat we het ontzettend druk hadden. Later werden het vaste vrijdagavonden: eerst bij de een, dan bij de ander, borrelen, eten, soms een spelletje dat niemand echt leuk vond maar waar we toch fanatiek om konden doen. De kinderen gingen studeren, er kwamen scheidingen in de familie, overlijdens, nieuwe banen, pensioen. Die groep bleef.

Mijn man Henk en ik zijn nu 62. Hij werkte tot vorig jaar in het onderwijs, ik heb lang op de administratie van een installatiebedrijf gezeten. Sinds ik minder ben gaan werken, doe ik vrijwilligerswerk bij een lokaal initiatief dat boodschappenpakketten en kleine noodhulp regelt voor mensen die tijdelijk krap zitten. Geen groot, verheven gedoe. Vaak is het vooral bellen, formulieren uitprinten, iemand naar het sociaal wijkteam verwijzen, of zorgen dat er een cadeaukaart komt voordat iemand met lege kasten het weekend in gaat.

Ik vind het zinvol. Misschien ook omdat ik er goed in ben om dingen te regelen. Ik houd lijstjes bij, ik bel door, ik vergeet afspraken niet. Dat is ook meteen mijn zwakke plek, denk ik achteraf.

Marjan uit onze vriendengroep heeft al jaren chronische vermoeidheidsklachten. Ik ga daar niet over oordelen. Ik heb haar vaak genoeg gezien nadat ze een paar uur bezoek had gehad: bleek, uitgeput, met een deken op de bank. Soms zegt ze een afspraak op het laatste moment af omdat opstaan niet lukt. Dat geloof ik ook wel. Maar haar ziekte is in de loop der jaren steeds meer tussen haar en de rest van de wereld in komen staan.

In het begin hielp iedereen. Boodschappen meenemen, een pannetje soep brengen, een ritje naar het ziekenhuis. Haar man Theo doet veel, maar hij werkt nog drie dagen en is eerlijk gezegd niet het type dat zelf aan de bel trekt. Marjan belde mij steeds vaker. Eerst af en toe. Daarna soms drie keer op een dag.

Of ik de apotheek wilde bellen, want zij kwam er niet doorheen. Of ik even wilde kijken naar een mail van de gemeente. Of ik een boodschap kon meenemen. Soms wilde ze gewoon praten en dan duurde het gesprek drie kwartier, terwijl ik met mijn jas aan in de gang stond omdat ik naar een afspraak moest.

Ik zei bijna nooit nee. Niet omdat ik zo heilig ben, maar omdat ik wist hoe klein haar wereld was geworden. En omdat ik dacht: als ik ooit zo afhankelijk word, hoop ik ook dat iemand niet meteen op de klok kijkt.

Henk zei af en toe voorzichtig dat het wel erg veel werd. Dan zei ik dat hij niet begreep hoe het was om zo weinig energie te hebben. Daar had hij natuurlijk ook geen antwoord op.

Afgelopen najaar kreeg mijn zus Irene een beroerte. Ze woont alleen in Zwolle en haar herstel ging gelukkig redelijk, maar de eerste weken waren een chaos. Revalidatie, een ziekenhuisopname die langer duurde dan gedacht, haar post, haar kat die ergens ondergebracht moest worden. Irene heeft geen kinderen. Ik was degene die erheen reed, met haar meeging naar gesprekken en haar koelkast vulde.

Tegelijkertijd was er bij het vrijwilligerswerk een gezin waarvan de vader ineens was overleden. Ik trok dat meer aan dan verstandig was. Ik sliep slecht. Niet dramatisch slecht, maar ik werd om vier uur wakker en lag dan meteen in mijn hoofd al bij Irene, bij die vrouw met twee kinderen, bij mijn eigen agenda.

In die periode belde Marjan gewoon door. Ik had haar verteld dat Irene in het ziekenhuis lag. Ze zei: ‘Och meid, wat naar,’ en ging vrijwel meteen verder over haar eigen huisarts die niet luisterde.

Een week later vroeg ze of ik op vrijdagmiddag mee kon naar een afspraak in het ziekenhuis. Ik zei dat ik die dag bij Irene moest zijn. Ze was stil en zei toen: ‘Ja, jij hebt het tegenwoordig ook wel heel druk met iedereen.’

Dat bleef hangen. Misschien was het niet eens zo bedoeld. Maar ik voelde me ineens geen vriendin meer, alleen een voorziening die tijdelijk niet beschikbaar was.

Het moment waarop het brak, was eigenlijk iets kleins. Irene mocht na een terugval weer naar huis, maar ze was bang. Ik had die middag zitten huilen in de auto op een parkeerplaats bij de Lidl. Niet hard, gewoon tranen die bleven komen terwijl ik naar mijn stuur keek. Thuis belde ik Marjan, omdat ik even wilde zeggen dat ik de vrijdagavond waarschijnlijk zou overslaan.

Ze nam op en zei meteen: ‘O fijn dat je belt. Kun jij misschien morgen toch naar de markt? Theo is met zijn broer weg en ik heb echt niks meer in huis.’

Ik zei dat ik het niet kon. Ze vroeg niet hoe het met Irene ging. Ik weet nog dat ik naar de fruitschaal keek, waar twee verschrompelde mandarijnen in lagen, en dat ik ineens heel rustig werd.

Ik heb gezegd: ‘Marjan, ik kan niet meer degene zijn die jij als eerste belt voor alles. Ik wil best soms helpen als het uitkomt, maar ik kan niet op afroep beschikbaar zijn. Zeker nu niet.’

Ze zei eerst niks. Daarna: ‘Dus nu ik jou nodig heb, laat je me vallen.’

Ik zei dat dat niet eerlijk was. Zij zei dat ik veranderd was sinds ik bij “die hulpclub” zat, alsof ik daar de wereld redde en gewone mensen liet zitten. Dat kwam hard aan, vooral omdat ik zelf ook wel weet dat ik soms te veel hooi op mijn vork neem.

De vrijdag daarna gingen Henk en ik toch naar de vaste avond bij Paul en Ria. Ik wilde niet thuisblijven alsof ik iets verkeerds had gedaan. Marjan en Theo waren er ook. Marjan zei nauwelijks iets tegen mij. Theo keek vooral naar zijn bier.

Later hielp ik Ria in de keuken met de glazen. Ze zei zachtjes dat ze Marjan ook wel begreep. ‘Als je ziek bent, voelt een nee waarschijnlijk als afwijzing.’

Ik zei dat ik dat snapte, maar dat ik ook geen bodemloze put ben. Ria haalde haar schouders op. ‘Vriendschap is toch juist er zijn als het moeilijk wordt?’

Daar stond ik dan, met een nat wijnglas in mijn hand, en ik wist niet meer wat ik daarop moest zeggen. Want ze heeft niet helemaal ongelijk. Alleen was het voor mij niet één moeilijke periode. Het waren jaren van kleine en grote vragen, waar nooit een vraag tegenover stond.

De dagen erna stuurde Kees uit de groep mij een berichtje. Hij vond dat ik er verstandig aan had gedaan. Zijn vrouw Els zei later weer dat we als groep beter een rooster voor Marjan konden maken, zodat niet alles bij mij terechtkomt. Dat vond ik op zich een goed idee, maar Marjan wil geen rooster. Ze wil mensen die uit zichzelf komen, zegt ze. Anders voelt het als hulpverlening.

Ik heb haar inmiddels één keer gesproken. Ze was nog boos. Ik ook, al probeer ik dat niet te veel te zijn. Ik heb gezegd dat ik niet wil doen alsof we vreemden zijn na al die jaren. Ze zei dat ze niet weet hoe ze mij nog kan bellen zonder zich schuldig te voelen. Daar had ik geen goed antwoord op.

Aanstaande vrijdag is er weer een etentje, dit keer bij ons. Henk vroeg of we Marjan en Theo gewoon moeten uitnodigen. Natuurlijk doen we dat, zei ik meteen. Daarna heb ik een uur naar de conceptapp gekeken voordat ik hem verstuurde.

Ze hebben nog niet gereageerd. Henk is alvast naar de supermarkt voor borrelnoten en tonic. Ik moet straks beslissen of ik extra soep maak, omdat Marjan vaak weinig eet op een avond. Ik merk dat ik daar nog steeds over nadenk. Misschien is dat precies het moeilijke: een grens stellen betekent blijkbaar niet dat het je ineens niets meer doet.