We zouden met z’n vieren een zomer naar Frankrijk gaan, maar mijn dochter belde drie weken voor vertrek

Ik had de Franse simkaart al besteld. Zo ver waren we.

Hij lag nog ongeopend op de keukentafel, naast een lijstje van Els met dingen die mee moesten: Nederlandse drop voor Henk, haar wandelstokken, de oplader van de e-bikes, het schrift waarin zij alle marktjes in de buurt van ons huisje had opgeschreven. Alsof we naar een ander leven verhuisden, wat misschien ook wel een beetje zo voelde.

Ik ben Arjan, 64, sinds januari met pensioen na 38 jaar bij een installatiebedrijf in Amersfoort. Mijn vrouw Els is een jaar eerder gestopt in het onderwijs. Onze beste vrienden, Henk en Marijke, kennen we sinds 1983. Eerst woonden we met kleine kinderen in dezelfde straat in Leusden. Later verhuisden zij naar een vrijstaande woning aan de rand van het dorp en wij naar een rijtjeshuis dichter bij het centrum, maar we bleven elkaar zien.

Elke zondagavond, bijna altijd. Eerst met bier en kinderen die door de kamer renden. Daarna met pubers die naar boven verdwenen. Later met wijn, want dan vonden we onszelf oud genoeg daarvoor. We hebben samen begrafenissen gehad, ontslagen, een scheiding van Marijkes broer waar ze maanden stuk van was, de ziekte van mijn moeder. Toen Els een borstoperatie moest ondergaan, stonden Henk en Marijke de volgende ochtend met boodschappen voor de deur zonder te vragen of het uitkwam.

Die zomer in Frankrijk was niet zomaar een vakantie. Het was iets waar we sinds corona over praatten. “Als we stoppen, doen we het goed,” zei Henk steeds. Geen twee weken met de sleurhut naar de Ardèche, maar drie maanden een huis huren. Een oud stenen huisje in de Dordogne, met een zwembad dat volgens de foto’s wat groener was dan blauw, maar dat maakte niemand iets uit.

We zouden van juni tot september gaan. Onze kinderen mochten langskomen als ze wilden. Geen verplichting, zeiden we allemaal. Gewoon een open huis.

Het huurcontract stond op naam van Henk. Wij zouden de helft betalen. De aanbetaling was gedaan, de overtocht gereserveerd, de buren gevraagd de post in de gaten te houden. Els had zelfs al tegen haar zus gezegd dat ze niet op haar verjaardag kon komen.

Toen belde mijn dochter Nora.

Ze is 34, woont in Utrecht en heeft een zoontje van vijf, Mees. Ik wist dat het thuis niet lekker liep met haar vriend, Daan. Ik wist ook dat ze allebei hard konden zijn, op een manier waar ik me liever niet mee bemoeide. Nora vertelde meestal pas iets als het al mis was gegaan. Dat heeft ze van mij, vrees ik.

Die dinsdagmiddag hoorde ik meteen aan haar ademhaling dat er iets was. Ze zei niet eens hallo.

“Pap, ik weet niet wat ik moet doen.”

Daan was vertrokken. Niet voor een avondje of na een ruzie. Hij had een tas meegenomen, zijn broer gebeld en gezegd dat hij voorlopig niet terugkwam. Er waren schulden, bleek. Geen enorme bedragen misschien, maar wel genoeg achterstanden dat de verhuurder al had gemaild. Nora had een deel van haar uren in de zorg moeten laten vallen omdat Mees de laatste tijd slecht sliep en op school boos was. Ze schaamde zich daarvoor. Voor de schulden ook. Voor alles.

Ze zei: “Ik red het wel hoor,” en daarna bleef het stil.

Dat zinnetje ken ik. Ik heb het zelf te vaak gebruikt.

Els en ik zijn die avond naar Utrecht gereden. Nora deed pas na een paar minuten open. Mees zat in zijn pyjama op de bank met een dekentje over zijn hoofd. Op het aanrecht stonden drie vieze pannen. Er was niet één grote ramp te zien. Juist dat maakte het zo naar. Een gewoon huis waar iemand kennelijk al weken net niet meer aan toe kwam.

De dagen erna hielpen we met bellen. Naar de verhuurder, naar de gemeente voor schuldhulpverlening, naar haar werk. Ik paste op Mees terwijl Els met Nora papieren uitzocht. Daan nam soms op, soms niet. Hij was niet gewelddadig geweest, voor zover ik weet. Ik wil daar eerlijk in zijn. Maar hij was weg, en Nora zat daar met een kind, een huurhuis en rekeningen waarvan ze niet wist welke eerst betaald moesten worden.

Na vier dagen zei Els in de auto terug: “We kunnen niet drie maanden weg.”

Ik had gehoopt dat zij iets anders zou zeggen. Iets praktisch. Dat we twee weken later konden gaan, of dat Nora wel weer op haar pootjes terechtkwam. Maar ik voelde hetzelfde.

Henk reageerde eerst alsof ik een grap maakte.

“We gaan toch niet het hele plan omgooien omdat Nora een relatieprobleem heeft?”

Ik zei dat het meer was dan dat. Hij zei dat hun zoon Bas ook genoeg gedoe had gehad, maar dat zij niet telkens waren komen aanrennen. Dat Nora volwassen was. Daar had hij op zichzelf niet helemaal ongelijk in. Het vervelende is dat iemand juist het meest gelijk kan klinken wanneer je hem het minst wilt horen.

Marijke nam later de telefoon over. Ze klonk gekwetst, niet boos in het begin.

“Arjan, wij hebben hier ook jaren naar uitgekeken. Henk heeft die operatie aan zijn knie juist zo gepland dat hij mee kon. Ik heb mijn vrijwilligerswerk afgezegd. We hebben tegen iedereen gezegd dat we weg zijn.”

Ik zei dat ik het snapte. Dat me dat echt speet. We zouden onze helft betalen, ook als zij besloten zonder ons te gaan. Ik wist dat geld niet het punt was, al was het natuurlijk ook geld. Voor ons was het een flinke smak spaargeld.

“Maar jij verwacht nu dat wij óók niet gaan?” vroeg ze.

Nee, zei ik. Dat verwachtte ik niet.

Toch was dat blijkbaar precies hoe het voelde. Het huis was te groot en te duur voor twee, Henk durfde de lange rit niet alleen te rijden en Marijke vond het idee van wekenlang samen in een buitengebied ineens minder romantisch. Ze probeerden nog iemand anders te vragen, maar wie kan er op drie weken tijd een hele zomer vrijmaken?

De weken daarna werd het stil. Niet volledig stil; dat zou bijna makkelijker zijn geweest. Er kwamen korte appjes over geld, annulering en wat er met de fietsen moest gebeuren. Henk stuurde een foto van de routekaarten die hij had uitgeprint met daaronder: “Zonde van al die voorbereiding.” Ik keek ernaar en legde mijn telefoon weg.

Els vond dat ik te weinig terugzei. Misschien had ze gelijk. Ik wilde niet verdedigen dat ik voor mijn dochter koos, want dat voelde ook verkeerd. Alsof je keuzes tussen mensen op een weegschaal kunt leggen en dan zegt: deze is 800 gram waard, die 600.

Uiteindelijk kon het huis niet meer kosteloos geannuleerd worden. Henk en Marijke gingen alsnog, maar niet drie maanden. Ze gingen zes weken. Een bevriend stel van hen uit de tennisvereniging kwam de laatste drie weken mee. Wij betaalden onze helft van de huur en de kosten van de annulering van onze overtocht. Henk zei dat hij dat niet van ons wilde, maar nam het later toch aan. Daar was ik eigenlijk opgelucht om. Het gaf ons iets concreets te regelen, in plaats van alleen maar pijn doen.

Nora woont nog steeds in haar huis. De schuldhulpverlening loopt; traag, zoals dat gaat. Daan ziet Mees om het weekend. Nora en ik hebben ook ruzie gehad, want ik ben me er te veel mee gaan bemoeien. Ik zei op een avond dat ze eindelijk eens moest ophouden met doen alsof alles haar overkwam. Meteen daarna zag ik haar gezicht dichtgaan. Daar schaam ik me nog voor.

Vorige week stuurde Marijke een foto uit Frankrijk. Zij en Henk aan een lange tafel onder een parasol, met een glas rosé voor zich. Er stonden nog twee lege stoelen aan de zijkant. Misschien stonden die er toevallig. Misschien niet.

Ik heb alleen een hartje gestuurd. Daarna heb ik de simkaart uit de verpakking gehaald en in een keukenla gelegd. Niet weggegooid. Ook niet gebruikt.