Mijn man vindt dat we onze vrienden niet kunnen laten vallen, maar ik ben bang dat ik mezelf kwijtraak
Het begon met een tas boodschappen die ik op vrijdagmiddag in onze gang liet staan.
Twee pakken koffie, brood, yoghurt, wc-papier, van die kleine dingen. Ik keek ernaar en dacht alleen maar: daar gaan we weer. Niet eens boos, eerder moe nog vóór ik mijn jas uit had.
Mijn man Kees zei vanuit de woonkamer: „Heb je ook die ongezouten boter meegenomen? Henk zei dat Els daar nog wel tegen kan.”
Dat zinnetje, ‘Henk zei’, zat me ineens dwars. Alsof ons weekend niet meer van ons was. Alsof Henk onze agenda beheerde en wij alleen nog uitvoerden.
We kennen Henk en Els sinds 1984. We woonden toen allebei in een huurflat in Amersfoort, met dunne muren en een fietsenhok waar altijd iemand zijn fiets uit stal. Kees werkte bij de technische dienst van het ziekenhuis, ik zat op een administratiekantoor. We hadden weinig geld en een peuter die slecht sliep.
Els kwam op een avond aanbellen met een pan macaroni omdat ze ons hoorde ruziën. Niet eens nieuwsgierig, gewoon praktisch. „Hier, eet eerst wat. Daarna kun je weer verder met elkaar haten.” Zo was zij.
Later, toen Kees een tijd zonder werk zat, leenden zij ons geld zonder daar ooit moeilijk over te doen. Toen onze dochter Noortje met spoed naar het ziekenhuis moest vanwege een heftige astma-aanval, paste Els drie nachten op onze zoon. Henk heeft Kees geholpen met het schilderen van ons eerste koophuis. Er zijn honderden van dat soort dingen.
Dus toen Henk vorig najaar belde en zei dat Els steeds meer vergat, zat Kees nog voor hij het gesprek had beëindigd al met zijn jas aan. Hij ging erheen om naar de meterstand te kijken, omdat Els had gedacht dat de cv kapot was. De verwarming stond gewoon op zestien graden en zij wist niet meer hoe de thermostaat werkte.
Daarna ging het snel, of misschien viel het ons toen pas op. Els raakte haar portemonnee kwijt en vond hem terug in de oven. Ze belde mij eens om half acht ’s morgens omdat Henk volgens haar niet thuis was. Hij lag naast haar in bed.
De huisarts had het over verder onderzoek en de casemanager dementie kwam langs. Henk zei steeds dat hij het zelf nog prima kon. Hij deed de boodschappen, kookte aardappels die meestal te lang doorgaren waren, en zette overal briefjes neer. Op de badkamerdeur hing: TANDEN POETSEN. Op de voordeur: SLEUTELS MEE. In de keuken: GAS UIT.
Toen kwam zijn vraag.
Of Kees en ik, om te beginnen, één weekend per week bij hen wilden blijven slapen. Niet af en toe langskomen, maar echt van vrijdagmiddag tot zondagavond in hun huis zijn. Zodat Henk eens een nacht door kon slapen, even naar de voetbal kon of met een gerust hart de tuin in kon. Hij zei het voorzichtig, alsof hij zelf al wist hoe groot het was.
Kees keek mij aan en zei meteen: „Natuurlijk doen we dat.”
Ik zei niets. Daar schaam ik me nog steeds een beetje voor, omdat Henk daar aan tafel zat met zijn handen om een koude kop koffie. Maar ik voelde paniek. Ik ben net twee jaar met pensioen. Mijn hele werkende leven heb ik rekening gehouden met roosters, kinderen, mijn moeder die ziek werd, later de kleinkinderen. Ik had me verheugd op saaie zaterdagen. Naar de markt, een boek lezen, misschien spontaan met mijn zus naar Zwolle. Niets bijzonders. Juist dat niets.
In het begin viel het mee. Els was blij als we kwamen. Ze wilde altijd bitterballen in de airfryer maken en vroeg me vijf keer of ik nog steeds bij de gemeente werkte, terwijl ik daar al jaren weg was. Kees en Henk keken naar Studio Sport. Ik hielp met wassen, legde kleding klaar en maakte lijstjes voor de week.
Maar na een paar maanden werd één weekend ook een woensdagmiddag omdat Henk naar de tandarts moest. Daarna een maandagavond omdat Els onrustig was. „Alleen deze keer,” zei Kees dan.
Ik zei soms nee, maar dat voelde nooit als een echt nee. Henk klonk aan de telefoon zó opgelucht zodra ik alsnog zei dat ik wel even kwam. En Kees kon stil worden op een manier die ik goed ken. Niet boos. Teleurgesteld. Alsof ik niet begreep wat fatsoen was.
„Ze hebben ons nooit laten vallen,” zei hij een keer, toen ik zei dat ik dat weekend al kaarten met mijn oude collega’s had afgesproken.
„Ik laat ze toch niet vallen? Ik kan alleen niet hun dochter, thuiszorg en nachtwacht tegelijk zijn.”
„Dat zeg ik ook niet.”
Maar dat zei hij eigenlijk wel.
Het incident was eind februari. We zouden een heel weekend blijven omdat Henk naar de verjaardag van zijn broer wilde, twee uur weg, meer niet. Els was die dag wat verward. Ze wilde steeds naar ‘het oude huis’ in Soest, waar ze als kind had gewoond. Ik had haar net een kop thee gegeven en ze zat met een dekentje op de bank. Kees was boven een lamp aan het vervangen.
Ik ging naar de wc. Misschien drie minuten.
Toen ik terugkwam, stond de voordeur open. Haar jas was weg.
Ik weet nog dat ik eerst niet schrok maar geïrriteerd dacht dat ze in de tuin stond. Toen zag ik haar pantoffels niet meer bij de kapstok. Ik rende naar buiten zonder jas, de straat op. Kees kwam achter me aan. We zochten apart, riepen haar naam. Het miezerde en het was al donker aan het worden.
Na ongeveer twintig minuten vond Kees haar bij de rotonde, bijna een kilometer verder. Ze stond bij het zebrapad en was boos omdat wij haar ‘tegenhielden’. Ze had alleen een vest onder haar jas aan en verkeerde schoenen. Een automobilist had haar al aangesproken, zei Kees later.
Thuis huilde Els zo hard dat ik er misselijk van werd. Niet omdat ze begreep wat er gebeurd was, denk ik. Ze huilde omdat iedereen volgens haar tegen haar schreeuwde. Henk kwam terug, bleek wit, en zei tegen mij: „Zie je nou waarom ik jullie nodig heb?”
Dat was het moment waarop ik knapte.
Ik zei: „Nee, Henk. Ik zie waarom jullie professionele hulp nodig hebben.”
Hij keek alsof ik hem een klap gaf. Kees zei meteen mijn naam, waarschuwend. Maar ik kon niet meer terug. Ik vertelde dat wij geen zorgplan hebben, geen opleiding, geen achterwacht. Dat ik niet kan douchen of slapen terwijl ik ondertussen bang ben dat Els wegloopt. Dat ik van haar houd, maar dat liefde niet betekent dat ik dit aankan.
Henk werd heel stil. Later die avond zei hij dat een verpleeghuis voor hem voelde als haar opgeven. Dat begreep ik ook. Hij is 68, zij 66. Hij ziet nog steeds de Els die op onze bruiloft tot drie uur ’s nachts danste en die zonder vragen geld aan Kees leende. Ik zie haar ook nog. Misschien maakt dat het juist zo moeilijk.
De maandag erna heeft de casemanager met Henk gesproken. Er komt nu thuiszorg voor de medicatie en er wordt gekeken naar dagbesteding. Kees en ik gaan nog steeds langs, meestal op zaterdagmiddag. We koken dan wat extra en nemen de was mee als die zich opstapelt. Maar we slapen er niet meer.
Kees heeft lang nauwelijks met me gepraat over dat besluit. Hij vond dat ik Henk in de steek liet op het moment dat die het zwaarst zat. Misschien vindt hij dat nog steeds. Vorige week zei hij wel dat hij zelf ook wakker ligt als we daar zijn, omdat hij ieder geluid hoort.
Vanmiddag gaan we met Henk mee naar een gesprek over een alarmknop en misschien tijdelijk logeren voor Els, als het thuis echt niet meer gaat. Ik heb een thermoskan koffie klaargezet en die tas boodschappen staat nog steeds in de gang.
Ik neem hem mee. Maar vanavond slaap ik in mijn eigen bed.