Na veertig jaar vriendschap draait ineens alles om golf, en mijn man wil afhaken
Ik heb vorige week een spreadsheet gekregen voor onze vakantie. Niet van een reisbureau, maar van Henk.
Er stonden drie golfresorts in de Algarve in, met prijzen per kamer, vluchtopties vanaf Schiphol en Eindhoven, de huur van een auto en iets wat ‘greenfees’ heet. Bij twee hotels was er volgens Henk een uitstekend restaurant voor na afloop. Hij had er zelfs bij gezet welke baan het mooist lag bij zonsondergang.
Frank keek ernaar, schoof zijn leesbril omhoog en zei: ‘Ik ga niet tweeduizend euro betalen om elke dag achter jou aan in een golfkarretje te zitten.’
Ik zei niet meteen iets. Dat doe ik vaak als Frank en Henk ter sprake komen de laatste tijd. Alsof ik, door even stil te zijn, kan voorkomen dat ik moet kiezen.
We kennen Henk en Marjan al veertig jaar. Letterlijk bijna ons hele volwassen leven. We leerden elkaar kennen toen Frank en Henk bij dezelfde technische groothandel werkten in Amersfoort. Marjan en ik waren allebei zwanger in dezelfde winter. Onze kinderen zijn niet echt samen opgegroeid, daar woonden we uiteindelijk te ver voor uit elkaar, maar we vierden verjaardagen samen, gingen kamperen in Frankrijk en hielpen elkaar verhuizen.
Toen Frank in de jaren negentig een tijd zonder werk zat, was Henk degene die op zaterdag kwam klussen zonder dat we erom hoefden te vragen. Hij nam gewoon zijn boormachine mee. Toen Marjan borstkanker had, reden wij om de beurt met haar naar het ziekenhuis in Utrecht als Henk niet kon. Zo waren we. Niet elke week bij elkaar over de vloer, maar als er wat was, dan stond je er.
Onze jaarlijkse vakantie met z’n vieren is daar een beetje uit voortgekomen. Eerst met kleine tenten en kinderen die ruzie maakten om de achterbank. Later huisjes in de Vogezen, de Ardennen, een keer een appartement in Noord-Italië. We maakten wandelingen, Frank en Henk fietsten soms een stuk, Marjan en ik zochten markten af. Niemand hoefde precies hetzelfde leuk te vinden. Juist daardoor ging het altijd goed.
Henk is sinds vorig voorjaar met pensioen. Hij heeft er jaren naartoe geleefd. De eerste weken vond ik hem zelfs zielig. Hij zei dat hij niet wist wat hij met een dinsdagmorgen aan moest. Hij liep doelloos naar de bouwmarkt, vertelde Marjan.
Toen kwam golf.
Eerst een proefles via de buurman. Daarna een set clubs. Niet zo’n beetje ook. Volgens Marjan was het een ‘mooie aanbieding’, maar ik hoorde later van haar dat Henk bijna drieduizend euro had uitgegeven. Hij ging op les, haalde zijn baanpermissie en sindsdien is hij er drie, soms vier dagen per week te vinden. Hij heeft een golfapp, een handicap waar hij erg trots op is en een groepsapp met mannen die ik alleen ken als ‘Kees met die lage handicap’ en ‘Ron van hole zeven’.
Ik gun het hem echt. Dat meen ik. Hij ziet er fitter uit en hij heeft weer verhalen. Na zijn pensioen was hij stiller geworden, wat korter ook. Nu kan hij weer ergens enthousiast van worden. Dat is toch fijn voor iemand van 67.
Alleen is het niet bij zijn eigen dagen op de golfbaan gebleven.
Onze etentjes zijn veranderd. Henk kiest een restaurant bij zijn club, omdat hij daar ‘toch al moet zijn’. Als we ergens koffie drinken, komt er binnen tien minuten een filmpje op zijn telefoon van een swing die beter ging dan de vorige keer. Vorige zomer hadden we een barbecue bij ons en hij had, zonder te overleggen, plastic oefenballetjes meegenomen. De mannen moesten dan maar even op het gras achter het schuurtje afslaan.
Frank heeft dat gedaan. Natuurlijk. Hij stond daar in zijn nette overhemd, met zo’n te korte club in zijn handen, terwijl Henk riep dat hij zijn heupen moest indraaien. Frank lachte nog wel, maar ik ken hem. Als hij zijn lippen zo dun op elkaar houdt, is hij er klaar mee.
Op de terugweg zei hij: ‘Hij vraagt nooit meer hoe het met iemand anders gaat.’
Dat vond ik overdreven. Of misschien wilde ik het overdreven vinden.
‘Hij is gewoon enthousiast,’ zei ik. ‘Hij heeft eindelijk iets gevonden.’
Frank keek uit het raam. ‘Ja. En wij zijn publiek geworden.’
De vakantiesuggestie maakte alles erger. Henk belde Frank eerst, omdat hij dacht dat mannen onder elkaar sneller konden beslissen. Daarna stuurde hij de spreadsheet in onze oude groepsapp. Marjan reageerde met drie duimpjes en een vliegtuigje. Ik wist niet wat ik moest typen.
Frank schreef alleen: “Ziet er netjes uitgezocht uit.”
Henk belde dezelfde avond alweer. Of we al een voorkeur hadden. Frank gaf de telefoon aan mij met de blik die betekende: regel jij dit maar, want anders zeg ik iets verkeerds.
Ik hoorde Henk praten over een baan tussen de sinaasappelbomen en een arrangement waarbij je iedere ochtend vroeg kon starten. Ik zei dat Frank niet golft.
‘Dan kan hij toch mee in de buggy? Of hij neemt een boek mee. Er zit een zwembad bij. En jij kunt ook gewoon een paar lessen nemen, Anja. Hartstikke gezellig.’
Het was niet kwaad bedoeld. Dat maakt het juist lastig. Henk snapt werkelijk niet dat vier uur wachten tot iemand een klein wit balletje in een gat slaat voor Frank geen vakantie is.
Toen ik ophing, zei Frank: ‘Zie je nou wel?’
Ik werd boos, veel bozer dan nodig was. Ik zei dat hij Henk ook iets moest gunnen. Dat je na veertig jaar niet moeilijk ging doen omdat iemand een irritante hobby had. Dat Marjan het waarschijnlijk al zwaar genoeg heeft met Henk die ineens elke ochtend de deur uit is.
Frank zei toen iets waar ik geen antwoord op had.
‘Ik gun hem die hobby. Ik gun hem zelfs die veel te dure clubs. Maar waarom moet ik mijn vakantie eraan opofferen om te bewijzen dat ik zijn vriend ben?’
Daarna hebben we twee dagen nauwelijks over de vakantie gesproken. Gewoon over boodschappen, de cv-ketel die een onderhoudsbeurt moest krijgen, onze dochter die weer minder uren op haar werk had. Maar het zat eronder.
Ik merkte ook dat ik mezelf begon af te vragen wanneer Henk voor het laatst aan Frank had gevraagd hoe het ging met zijn knie. Frank wacht al maanden op een afspraak bij de orthopeed en kan niet eens meer lekker lange stukken fietsen. Vroeger zou Henk daar meteen over doorvragen. Nu zei hij de laatste keer alleen dat golf juist goed was voor je mobiliteit.
Dat vond ik achteraf nogal pijnlijk.
Gisteren hebben Frank en ik alsnog een bericht gestuurd. Ik heb het geschreven, Frank heeft meegelezen. We hebben gezegd dat Portugal voor ons te duur is en dat we geen zin hebben in een golfvakantie. Dat we wel graag met hen weg willen, maar dan naar iets waar iedereen zijn eigen dag kan invullen. Misschien een huisje in Limburg, zoals twee jaar geleden. Of een weekje Frankrijk, niet te ver rijden.
Henk antwoordde vrij snel: “Jammer. Dan gaan wij waarschijnlijk met golfvrienden. Misschien volgend jaar weer iets samen.”
Marjan stuurde daarna apart aan mij: “Ik snap het wel hoor, maar hij had zich er erg op verheugd.”
Ik heb haar teruggestuurd dat ik dat ook snapte. En dat ik me er juist rot om voelde.
Maar toen Frank vanmorgen aan de keukentafel zei dat hij eigenlijk opgelucht was, kon ik niet eerlijk zeggen dat ik dat niet ook een beetje was.
De vakantie is nog niet geboekt. De groepsapp is sinds gisteren stil. Ik kijk er vaker in dan ik wil toegeven.